Foto Annabel Oosteweeghel

Interview

Tjeenk Willink: ‘De politiek is niet bij machte op eigen kracht te veranderen’

Herman Tjeenk Willink Eigenlijk had hij geen zin in het informateurschap dit voorjaar. Toch stapte Herman Tjeenk Willink (79) weer op zijn fiets. „De gevaren van de uitholling van de democratische rechtsorde zijn te groot.”

Herman Tjeenk Willink (79) verheft zijn stem nog één keer. Na vijftig jaar publieke dienst is hij uitgepraat. Of nee, hij zou kunnen blijven „tamboereren” over de democratie. Maar dan raakt je denken in een „vaste groef”, beginnen mensen beleefd te knikken als je praat, zeggen ze „ja ja, goed hoor” en vinden ze je straks “zóóóó’n vitale man”. „Daar”, zegt Tjeenk Willink, „moet je vreselijk voor oppassen”.

Dus heeft hij nog één keer zijn ideeën over de democratie opgeschreven in Kan de overheid crises aan?, een herziene uitgave van het boek dat twee jaar terug ruim 25.000 keer werd verkocht en de Prinsjesboekenprijs won voor beste politieke boek.

Het is verleidelijk door te gaan. Om bijvoorbeeld, mochten ze hem weer bellen, toch weer „ja” te zeggen tegen het informateurschap. Zoals het dit voorjaar ging. Hij twijfelde, eigenlijk had hij er geen zin in, en toch stapte hij gesoigneerd weer op zijn fiets, legde hij de weg naar het Binnenhof af, deed hij een poging de formatie vlot te trekken. „Het was makkelijk om te zeggen: ik ben 79, het is genoeg zo. Maar daarvoor intrigeert het functioneren van de overheid me te veel en zijn de gevaren van de uitholling van de democratische rechtsorde te groot.” En het belangrijkste: „Ik wil niet dat mensen achteraf tegen me zeggen: had het dan gezegd toen je de kans had.”

Dus hééft hij het gezegd, eerst aan de formatietafel en vervolgens tijdens een debat in de Tweede Kamer. Over een andere bestuursstijl, méér dualisme en méér vertrouwen tussen politici én tussen overheid en burger. „Die relaties staan niet los van elkaar. Het gebrek aan vertrouwen in de ene relatie werkt vroeg of laat door in de andere”, schreef hij in zijn eindverslag. De Kamerleden roffelden op hun tafeltjes en hop, daar vertrok Tjeenk Willink weer.

Maar nu, nú, zegt Tjeenk Willink, „is alles wel gezegd”. „Want ik hoor mezelf praten”, zegt hij tijdens een lang gesprek aan zijn eettafel thuis, omringd door stapels boeken, kunst, een piano. „Dat is nogal vermoeiend.”

„En er zijn ook nog zo verschrikkelijk veel andere dingen, terwijl de tijd krimpt. Als ik nog tien, vijftien jaar heb, zijn er enorme stapels boeken die ik nog wil lezen. Om mij heen gebeurt ook van alles waar ik aandacht aan wil besteden. Dierbaren die ziek zijn tegen wie je niet kunt zeggen: ik heb misschien volgende week woensdag tussen drie en zes even tijd om langs te komen. Er zijn andere prioriteiten. Maar goed, dat zijn persoonlijke ontboezemingen.”

Ze zijn wel interessant. U hebt uw leven in publieke dienst gesteld, en nu trekt u zich terug.

„Ja, op een gegeven moment moet je ergens een punt zetten. Dat tijdstip heb ik knap lang uitgesteld. Bij de Raad van State dacht ik: ik stop op m’n 67ste, maar het kwam er niet van, want er was altijd nog wat. Toen ik in 2012 op m’n zeventigste met pensioen ging, voelde ik me reuze bevrijd van de verantwoordelijkheid, maar tegelijkertijd bleef het functioneren van de rechtsstaat bij me. Er werden me allerlei dingen gevraagd. Ik heb veel meer gedaan dan ik toen had verwacht, maar het bracht me ook veel, zoals inzichten en ontmoetingen met andere generaties. Dat gesprek eindigt niet.”

Uw boek sloeg twee jaar geleden aan en lijkt nog actueel. Waarom dan een nieuwe versie?

„Er miste iets, namelijk de opvattingen die het feitelijk functioneren van de overheid de afgelopen decennia hebben bepaald: economische groei als belangrijkste criterium voor succesvol beleid, de overheid als bedrijf, de burger als klant en kostenpost. Die moet je kennen als je iets wilt veranderen. Tijdens de coronacrisis bleek bovendien dat er weer van alles van de overheid wordt verwacht. Maar niemand stelde de vraag: kan de overheid dat wel aan, nadat dertig jaar het mantra was dat de overheid zich moest terugtrekken, want kleiner is beter? De derde reden, en ik merkte dat ook als informateur, is dat de politiek niet bij machte is om op eigen kracht te veranderen. Er wordt amper geleerd van enquêtes en de politiek geeft weinig richting aan de gewenste verandering.”

Die boodschap wordt nu breder gedeeld: vrijwel de hele politiek bekritiseert de oude bestuurscultuur en het marktdenken.

„Maar dat er meer consensus is dat iets níet meer werkt, betekent niet dat je weet wat er wél moet gebeuren. De politiek kan allerlei voornemens uitspreken, maar de vraag is: bij welke visie op de overheid passen deze voornemens? Anders blijven het vrome wensen die alleen worden gerealiseerd als ad hoc de druk van uitvoerders of burgers politiek niet langer kan worden weerstaan.”

Wat volgens Tjeenk Willink ontbreekt is een diep gevoeld besef dat democratie meer is dan alleen de vertegenwoordigende democratie van parlement en gemeenteraden: het zijn ook burgers die zelf initiatieven nemen, het algemeen belang willen dienen, de maatschappij vorm willen geven. Representatieve democratie kan niet zonder maatschappelijke democratie, waarschuwt hij al jaren: dan wordt de democratische rechtsorde uitgehold. Precies dat is de laatste decennia volgens hem gebeurd.

Foto Annabel Oosteweeghel

In uw boek schrijft u dat de kiem daarvoor ligt in de ontzuiling: de oude maatschappelijke verbanden verdwenen, de overheid werd een probleem. Maar de ontzuiling „ontvoogdde” mensen ook, om met Henk Hofland te spreken. Wat ging er mis?

„We hebben de gevolgen van de ontzuiling voor het staatsbestel onvoldoende doorzien. Tijdens de verzuiling kwamen initiatieven vanuit de samenleving naar de politiek toe, die ze legitimeerde en accommodeerde. Maar dat werd door de ontzuiling onderuit gehaald, waardoor de vraag werd: waartoe hebben we een staat en wat legitimeert zijn macht? Als je de staat niet kan definiëren, kun je ook burgerschap niet definiëren. Die vragen waren in de democratiseringsbeweging van de jaren zestig en zeventig aan de orde maar bleven onbeantwoord. Het verzet tegen de regenten uit het verzuilingstijdperk slaagde, maar zij werden vervangen door een nieuwe elite van technocraten en managers. De vraag welk fundament we nog hebben is nu des te relevanter, omdat de verzuiling niet te herstellen is, gelukkig maar, en ook de markt onvoldoende houvast biedt.”

Is zo’n fundament nog te vinden in een liberale samenleving waarin burgers decennialang zijn aangesproken als economisch redenerende individuen? Zit er in de moderne liberale democratie dus niet een inherente spanning tussen het individu en de gemeenschappelijke democratische ruimte waar u naar zoekt?

„Die spanning is er. Zeker in Nederland, waar de ideeën over volkssoevereiniteit uit de Franse Revolutie nooit expliciet aandacht hebben gehad. We gaan de facto wel uit van volkssoevereiniteit als basis waaruit de macht voortkomt, maar het staat nergens, zelfs niet in de Grondwet. Nederland heeft altijd een zwak democratisch besef gehad. We vertrouwen erop dat we het door redelijkheid wel opvangen, ondanks een aantal inherente zwaktes in de democratie. Dat is een riskante veronderstelling.”

Zien de politici waarmee u aan de formatietafel zat dit?

„Je kunt ze niet verwijten dat het democratisch besef onvoldoende aanwezig is, want ze zijn opgegroeid in het managementdenken. Je kan míjn generatie verwijten dat we te weinig hebben gedaan tegen het verdwijnen van dat besef. Overdracht van het collectieve geheugen is me daarom steeds meer gaan motiveren, het was een reden om opnieuw het informateurschap te aanvaarden. Ik wilde op een aantal dingen wijzen, waarvan ik me zeer afvraag of het zal worden opgevolgd.”

Tijdens uw informateurschap werd Mark Rutte gerehabiliteerd na de kwestie-Omtzigt, terwijl hij door veel partijen werd gezien als representant van het denken dat u hekelt.

„Representant zijn van een denken dat niet tien maar veertig jaar geleden is begonnen, is iets anders dan schuldig zijn. Voor hem geldt hetzelfde als voor andere politici. Waarom zou hij op eigen kracht een omslag maken als niemand in het parlement de inhoudelijke discussie wil voeren?”

Omdat hij de leider is van de grootste partij en van het land?

„Hij heeft volgens mij oprecht nagedacht over een andere bestuurscultuur. Maar in het parlement klonk alleen kritiek en niemand zei hoe het dan wel moest. Bovendien zijn er in Nederland overspannen verwachtingen van het ambt van de minister-president.”

Het risico van uw abstracte analyse is dat het personen lijkt te ontslaan van hun eigen verantwoordelijkheid: Rutte is nu eenmaal opgegroeid in een bepaald denken, je kunt hem niets verwijten.

„Ik wil best diepzinniger nadenken over de persoon van Mark Rutte en zijn verantwoordelijkheden, maar het is een collectief geheel. Iedereen moet een bijdrage leveren aan de omslag. Hele generaties zijn met het bedrijfsmatig denken opgevoed, de hele maatschappij is er doordrongen van geraakt. Het is echt onzin om Rutte als schuldige aan te wijzen voor wat in de afgelopen veertig jaar is gebeurd.”

In die veertig jaar maakte Tjeenk Willink een lange mars door de Haagse instituties. Hij begon in de jaren zeventig als ambtenaar, notuleerde bij de formatiebesprekingen van 1972/1973 en 1977, werd raadsadviseur van de minister-president, regeringscommissaris, hoogleraar, voorzitter van de Eerste Kamer, en hij was jarenlang vice-president van de Raad van State. Als informateur begeleidde hij vijf formaties. Dat deze formatie opnieuw is vastgelopen, geeft hem een gevoel van „plaatsvervangende schaamte en mistroostigheid”. De politiek, zegt hij, „is volstrekt naar binnen gekeerd geraakt en heeft zich collectief in een onmogelijke positie gebracht”.

Uw huidige verhaal over de democratische rechtsorde wijkt amper af van uw waarschuwingen begin jaren tachtig als regeringscommissaris. Bent u soms, zoals bij de Toeslagenaffaire, gefrustreerd dat er niet geluisterd lijkt te zijn?

Lees ook: Formatie laat zien dat te veel bij het oude blijft in Den Haag

„Frustratie is niet het juiste woord. Ik vind het wel jammer dat het debat over de overheid niet eerder is gevoerd. We laten het te lang lopen en grijpen te laat in. Daardoor is de geloofwaardigheid van het stelsel verder aangetast dan misschien anders was gebeurd. En ik voel soms boosheid, als de politiek de schuld voor missers bij uitvoerders van beleid wil leggen, terwijl de oorzaken ervan bij politieke beslissingen liggen. Ik ben me gaan realiseren dat al die parlementaire enquêtes de afgelopen decennia als incidenten zijn aangemerkt waarvoor een schuldige moet worden aangewezen. De politiek komt steeds tot dezelfde conclusie over overheidsfalen, maar herinnert zich dat niet. En geeft daardoor geen richting aan hoe het wél moet.”

Dan is verbittering verleidelijk. Of relativeert u de invloed die u kunt uitoefenen, zoals u Rutte ook vooral beziet vanuit de politieke context waarin hij handelt?

„Misschien is dat het. Je bent onderdeel van een systeem. Je kan het boek van Camus over Sisyphus zien als heel treurig, maar het is in zekere zin ook de menselijke bestemming. Je bijdrage leveren, genieten van het moment.”

Volgens Camus moeten we ons Sisyphus voorstellen als gelukkig mens, omdat hij accepteerde dat de rots steeds weer van de berg rolde.

„Ja, en ik ben niet gefrustreerd of ernstig teleurgesteld. Daarvoor stond er te veel tegenover. Aan kennis en inzichten, aan interessante mensen, aan gebeurtenissen waar je wel een roman over kan schrijven. Het helpt ook om jezelf te relativeren.”

Kan dat gebrek aan frustratie ook komen doordat, en dit klinkt gemener dan het bedoeld is, ú uiteindelijk niet geraakt wordt door bijvoorbeeld de Toeslagenaffaire, waarin veel van uw waarschuwingen samenkomen?

„Dat is zo. Er zijn geen levensbedreigende situaties. Als die er wél zijn, piep je anders. Ik vind het wonderbaarlijk hoelang veel mensen het volhouden. Met verhalen waarvan je denkt: ik was allang in grote woede uitgebarsten. Het geduld van veel mensen duurt al veel langer dan redelijk is, maar de overheid erkent dat maar niet. Maar er is ook ongeduld: er is iets mis en de overheid moet het maar meteen oplossen.”

De zorg dat de democratie ophoudt te bestaan als burgers afhaken, uitgesproken bij zijn afscheid als regeringscommissaris in 1986, is dan ook „acuter” geworden, zegt Tjeenk Willink. „Maar ook mijn verwachtingen van de politiek zijn de afgelopen veertig jaar minder hooggespannen, en realistischer geworden. De politiek kan het niet alleen. Ze heeft tegenwicht nodig.” Dát, denkt hij terugkijkend, dreef hem: „Ik wil mezelf nooit het verwijt maken, en het ook niet krijgen: hád het dan gezegd. Dus dat betekent: tegendruk, strijd voeren – altijd binnen wat Den Uyl ‘de smalle marge van de democratische politiek’ noemde.”