Recensie

Recensie Boeken

Hoe wordt die weduwnaar ineens Romeins keizer?

Willem du Gardijn Deze kameleontische schrijver komt met een roman waarin hij driemaal een andere toon aanslaat: eerst gaat het over een neerslachtige vrouw, later over de Romeinse keizer Hadrianus. Wat is het verband?

Het mausoleum van keizer Hadrianus in Rome, ook wel het Castel Sant’Angelo, op een ets uit 1885.
Het mausoleum van keizer Hadrianus in Rome, ook wel het Castel Sant’Angelo, op een ets uit 1885. Beeld Bildagentur/Universal Images/Getty Images

Zeggen dat je reikhalzend uitkijkt naar toekomstig werk lijkt op het eerste oog een veilige vorm van complimenteren te zijn, maar in het geval van Willem du Gardijn gaat die vlieger toch niet helemaal op. Want waar zou je eigenlijk naar kúnnen uitkijken in zijn geval, wat te verwachten van een schrijver die zo gretig van toon verandert als hij?

Zijn roman Bevrijding (2016) was frivool en satirisch; de beste verhalen in de bundel Het grote vakantiepark (2018) melancholisch, intiem of duister. Du Gardijn is de kameleon die per verhaal van kleur verschiet.

Ook Het einde van het lied is helemaal drie keer opnieuw anders, want in de in drie ‘liederen’ gecomponeerde roman slaat hij driemaal een nieuwe toon aan, passend bij de personages, passend bij de omstandigheden waarin ze zich bevinden. Er is de verzenuwde vrouw die in een psychologisch verhaal op een onafwendbare dood aan koerst; er is de man die zich in een volgend deel in Italië in een semi-academisch onderzoek stort; er is de tweede-eeuwse Romeinse keizer Hadrianus die in het historisch-fictionele slotdeel naar de kust afreist om er het loodje te leggen.

Horen de drie delen bij elkaar? Jazeker. De vrouw uit deel één was de levenspartner van de man uit deel twee en diezelfde man laat Hadrianus formuleren zoals hij vermoedt dat die geformuleerd moet hebben. Dus het hoort bij elkaar. Maar hóórt het ook echt bij elkaar, als in: onderschrijft de lezer dat ten volle? Mmm, toch niet helemaal. Maar daar staat tegenover dat je met het grootste deel van de totale roman erg goed proza in handen hebt.

Dat begint al met dat eerste ‘lied’, dat het soort literatuur is waar je af en toe even afstand van moet nemen omdat het een te grote aanslag op de zenuwen is. Zoals Wessel te Gussinklo’s De opdracht je af en toe te veel kan worden, of de scène waarin er in Geheime kamers van Jeroen Brouwers in een kas gevreeën werd, zo heb je er ook een kluif aan om het eerste deel van Het einde van het lied achter elkaar uit te lezen. In het begin is het kwaad al geschied: Aimée, een vrouw van een jaar of veertig loopt ‘op dunne benen’ door haar huis; ze heeft kort daarvoor ruzie gehad met haar levensgezel Adriaan, die het huis inmiddels heeft verlaten. Het duurt even, maar je komt er langzamerhand achter dat ze net heeft opgebiecht dat ze een paar keer het bed deelde met een bevriende man. Du Gardijn heeft de schuld die Aimée voelt op een voortreffelijke manier weten te verdiepen door Adriaan een man te laten zijn die begrip kan opbrengen voor de misstap. Ze komen er samen wel uit! Het effect hiervan is dat Aimée zich nog lager aanslaat dan ze al deed, omdat ze in de ogen van haar geliefde iemand is die hulp nodig heeft, die ondersteund moet worden na een uitglijer: och, Aimée kon weer eens niet met de handen van een vreemde afblijven. Hier, een arm om de schouder.

Paranoia

Je voelt al snel dat Aimée zich weleens van het leven kon gaan beroven, maar voorspelbaarheid is in dit geval geenszins een manco. Du Gardijn heeft de opgejaagdheid, de paranoia van Aimée in de stijl doorgevoerd; soms krijg je zelfs de indruk dat het aantal woorden in een zin ertoe doet om je haar nabije inzinking te laten doorvoelen. Haar dagboeknotities zijn ontledender dan goed voor haar is. ‘Ze schreef een paar zinnen. Niet veel, ze was niet langer dan vijf minuten bezig. Ik ben onvruchtbaar. Ik ben schriel, schraal, dor, dat is het ergste.’

Wat nog te schrijven nadat het ‘scherpste mesje van allemaal’ eraan te pas is gekomen? Het is de lastigste kloof die Du Gardijn in de roman dichten moest. Na een bescheiden sprong in de toekomst treffen we Adriaan in Italië aan. Toen Aimée nog leefde wilde hij er ook al (met haar) naartoe, maar in plaats van gemoedelijk rond te wandelen in Rome speurt hij rond in archieven en in het toenmalige Baiae (nu Baia) om erachter te komen waar keizer Hadrianus stierf. Hij is een pietje-precies. Er is hem veel aan gelegen de exacte plek aan te wijzen. Omdat de Italianen deze Nederlandse docent klassieke talen met de nodige scepsis behandelen (wie denkt hij wel dat hij is) neemt het tweede deel van Het einde van het lied een oer-Hollands literair karakter aan, verwant aan Hermans of Kellendonk: wat valt er eigenlijk met zekerheid over de geschiedenis te beweren? Los zand is het, waar je alleen met het water van de verbeelding vaste vormen van kunt maken. Adriaan verandert voor onze ogen van een feitenman in een fictie-omarmende man, een geschiedschrijver uit de losse pols. Is het de rouw die hem het zetje gaf? De drank? Of toch die nacht die hij noodgedwongen in een vies halletje moest doorbrengen? Om eerlijk te zijn weet je het niet helemaal, is de tekst te vrijblijvend om fascinerend te zijn.

Schommelende wagen

Het goede nieuws is dat Adriaans verbeelding er wezen mag, want in het slotlied richt Hadrianus zich zeer innemend tot de lezer. Of sec tot Marcus Aurelius, want aan hem, die andere adoptiefkeizer, is het verhaal officieel gericht. Het is daarmee een verlengstuk van Marguerite Yourcenars klassieker Herinneringen van Hadrianus uit 1951; Du Gardijn schrijft Hadrianus nog net wat dichter naar diens dood toe. Je moet het even op je laten inwerken, want je bevindt je opeens in een antieke schommelende wagen op de Via Appia, maar dit is samen met het ‘lied’ over Aimée het beste deel van de roman, bijvoorbeeld omdat Du Gardijn er echt in is geslaagd om een ziel en (stoïcijnse) overtuigingen uit Hadrianus’ pen te laten vloeien. En Hadrianus – een laatbloeier die Rome nederig wilde dienen – komt daarbij sympathiek over. ‘Ik was mijn leven lang in de omgeving van de keizer [Trajanus, Hadrianus’ voorganger, red.] geweest, maar had hem nooit gevraagd mij een ambt te schenken. Ik had mijn ambten zonder kuiperijen en kruiperijen verkregen. Iets wat niet gegeven werd, kon niet ontvangen worden, had ik van Epictetus geleerd.’ Met een beetje verbeelding kunnen we Du Gardijn in een vergelijkbaar licht zien. Als een schrijver die veel energie en eigenzinnigheid in zijn werk stopt, risico’s nemend, maar die niet zal bedelen om een schouderklop van de lezer. Meestal gaat dat goed.