11 september 2001 was de eerste werkdag van Gert Van Langendonck als correspondent in New York.

Foto Doug Kanter/AFP

Een spoor van terreur van New York tot Parijs

20 jaar na 11 september De eerste dag van als correspondent in New York was 11 september 2001. De aanslagen deden hem de volgende twee decennia in het Midden-Oosten belanden.

11 september 2001

New York

Elf september 2001 is mijn eerste werkdag als Amerika-correspondent voor de Belgische krant De Morgen. Ik ben extra vroeg opgestaan en heb mijn chef nog een artikel voorgesteld: iets over de ‘pink slip parties’ voor mensen die hun baan kwijt zijn door het barsten van de internetbubbel. Dit kan even wachten, zal de chef later droogjes antwoorden.

Wanneer het eerste bericht binnenkomt, ga ik op het dak van mijn huis kijken. Vanaf de 47ste verdieping op de hoek van 10th Avenue en 51st Street heb je een perfect zicht op de torens. Het dringt op dat moment nog niet door dat er iets historisch aan het gebeuren is. Een ongeluk met een sportvliegtuigje misschien? Ik weet nog niet dat ik de volgende twee decennia in het Midden-Oosten ga doorbrengen.

Toch maar eens gaan kijken. Ik wil de fiets nemen. Ik kan de sleutel niet vinden, en wat als iemand hem steelt? De metro dan. Maar die stopt ermee. Mensen gillen dat ook Washington is aangevallen. Het begint te dagen.

Ik zoek een taxi. Maar de New Yorkse taxichauffeurs, vaak moslims of sikhs, hebben de geopolitieke situatie in een oogwenk ingeschat. Zij verdwijnen allemaal richting Queens. Lopen dan maar.

Mijn volgende, en blijvende herinnering, verschilt heel erg van de beelden die 9/11 hebben gedefinieerd, van de mensenmassa die in paniek wegvlucht en over de Brooklyn Bridge Manhattan uitstroomt.

Ik sta ten noorden van de torens, hun afwezigheid nog verhuld door een enorme stofwolk. Het is volkomen stil, op een enkele gasontploffing na. Overal staan verwoeste politie- en brandweerwagens, de inzittenden bedolven onder het puin. Ik ben alleen, behalve, vreemd genoeg, een Zwitserse en een Franse journalist.

Dan komt uit de stofwolk een brandweerman gestrompeld, wit van het stof. We spreken hem aan. Maar de man antwoordt niet. Hij loopt naar een hek, klampt zich eraan vast en staart richting New Jersey. Een man loopt voorbij. Zegt: „We’re going to have to nuke a few small countries.

Een vrouw zit onder het stof na de instorting van de torens van het WTC. Foto Stan Honda

Het is niet dat ik niemand ken in New York, ik kom er al jaren. Een vriendin belt: een gemeenschappelijke vriendin is vermist. Ik bied aan te helpen, de ziekenhuizen aflopen zoals duizenden mensen die dag doen. De vriendin zegt argwanend: „Jij bent journalist. Wil je echt helpen of zoek je een verhaal?”

Ik sta perplex: het was niet mijn eerste reflex, maar was het mijn tweede? De zondag voor 9/11 hadden we nog allemaal samen gebruncht. Twee zussen die ieder in een van de torens werkten. De ene in de noordertoren, waar de mensen het bevel hadden gekregen om naar beneden te gaan, de andere in de zuidertoren, waar het bevel was gegeven om naar het dak te gaan. De ene zus overleeft het, de andere niet. De familie mijdt de publiciteit, en het verhaal zal nooit geschreven worden.

Het is de eerste keer, in de context van een terreuraanslag, dat ik mij een beetje een aasgier voel. Later in het Midden-Oosten zal dat heel anders zijn: daar zullen de mensen het onrecht dat hun is aangedaan juist willen uitschreeuwen. Nog later, wanneer ik verslag doe van de aanslagen in Parijs en Brussel, zal dat aasgierengevoel terugkeren.

In de dagen en weken daarna fiets ik elke dag naar ‘ground zero’ en de ‘frozen zone’ ten zuiden van Canal Street. Die wordt dag na dag kleiner. Het gewone leven keert terug. Dat is de bedoeling, maar het geeft een onfatsoenlijk gevoel. Zoals de posters van de vermisten die beetje bij beetje vergelen tot zij op een dag helemaal verdwenen zijn.

Ik ben in die tijd Amerikaanser dan de Amerikanen. Ik schrijf een vlammend opiniestuk geadresseerd aan mijn lezers in België, waar nogal wat mensen zeggen dat de Verenigde Staten eindelijk een koekje van eigen deeg hebben gekregen. „Vergis u niet van vijand”, schrijf ik. Dat is nog voor de oorlog in Afghanistan, en vooral voor die in Irak.

2002

Guantánamo

Ik ga niet naar Afghanistan. Er is nog te veel te doen in New York. Ik maak een profiel van een familie op Staten Island die zich aan het voorbereiden was op de dood van de moeder door kanker wanneer op 11 september de vader om het leven komt. ‘Een opeenstapeling van leed, en de vraag hoeveel dat moet kosten’, luidt de kop. De gemiddelde uitbetaling aan de nabestaanden zal uiteindelijk 1,8 miljoen dollar bedragen.

Twee jaar later zal ik hetzelfde doen in Irak, met de familie van een dokter die op weg naar het werk in Bagdad is doodgeschoten door Amerikaanse soldaten. De kop: ‘Wat is een Iraaks leven waard? Doorgaans 2.500 dollar’.

Ik ga begin 2002 wel naar Guantánamo, omdat de Verenigde Staten op dat moment de wereld willen overtuigen dat er niks mis is met een buitengerechtelijke gevangenis op Cuba. Het is een gelikte pr-operatie waarbij journalistiek niet mogelijk is.

Ik hang mijn artikel op aan Marcia, een radiojournaliste uit Oklahoma City. Haar radiostation heeft een peiling gedaan onder de luisteraars over hoe de gevangenen te behandelen (geselen en rattengif voeren) en heeft Marcia naar Guantánamo gestuurd om erop toe te zien dat dat ook gebeurt. Het is vermakelijk om de pr-man van de marines, die zich heeft voorbereid op kritische vragen over de mensenrechten, te zien worstelen met Marcia’s vragen. Hoe weten we eigenlijk dat die mensen van het Rode Kruis niet de vriendjes zijn van Osama Bin Laden?

Marcia zal teleurgesteld naar Oklahoma terugkeren. Maar ik denk aan haar terug als in juni 2004 het Abu Ghraib-schandaal, over de vernedering en mishandeling van Iraakse gevangenen door Amerikaanse soldaten, losbarst.

2003

Bagdad

De eerste keer dat het hotel davert door een bomaanslag vlakbij schrik je je rot. Na een paar keer tik je gewoon verder aan je stuk. Je ruilt met spijt de mooie hoekkamer met uitzicht op de Tigris in voor een bezemhok aan de achterkant, weg van de bommen. Uiteindelijk moet je het sympathieke hotelletje, met zijn oude kalasjnikov als enige bescherming, helemaal opgeven.

Je trekt met andere freelancers naar de mini-‘groene zone’ die is ontstaan doordat verschillende, nog betaalbare hotels samen een beveiligd territorium hebben afgebakend. Tot ook daar een bomauto ontploft die de jongen doodt die elke dag bij de ingang sigaretten en frisdrank verkoopt.

De val van Bagdad op 9 april 2003 heb ik gemist. Ik was een van de honderden buitenlandse journalisten die de invasie meemaakten aan het noordelijk front. Als Bagdad sneller valt dan verwacht, is niemand meer geïnteresseerd in dat noordelijk front. Via Teheran, Dubai en Amman bereik ik op 15 april 2003 alsnog Bagdad, hemelsbreed 375 kilometer verderop.

Motorfiets

Ergens bestaat een foto van mij gezeten op de Norton-motorfiets waarmee Saddam Hoessein in 1959 Irak ontvluchtte na een mislukte staatsgreep. Hij was in de eerste dagen na de val van Bagdad gestolen. De dief was Kadhem Sharif al-Jabouri, tevens de man die op 9 april 2003 het standbeeld van Saddam heeft omvergetrokken op het Firdosplein.

Dat moment was bedoeld om in de verf te zetten hoe blij de Irakezen waren met de komst van de Amerikanen. Het werd al snel bewijs van het tegendeel. Het was in scène gezet, de Amerikanen hadden geholpen. Zo raakte het moment dat veel Irakezen voorzichtig optimistisch waren over het post-Saddam-tijdperk voorgoed verloren voor de geschiedenis.

Het omhalen van het standbeeld van Saddam Hoessein in Bagdad was in scène gezet.Foto Goran Tomasevic/Reuters

„De Amerikanen hadden in Bagdad het grootste standbeeld van een Amerikaanse soldaat ter wereld kunnen krijgen”, zegt Ghaith Abdul-Ahad in een profiel dat ik maak van Salam Pax (op dat moment wereldberoemd als de enige Engelstalige blogger in Bagdad) en twee van zijn beste vrienden. „Maar die kans hebben zij dag na dag verkwanseld,” zegt Abdul-Ahad, nu een bekroond journalist voor The Guardian. „Wij dachten: laat ze maar komen die Amerikaanse waarden en instellingen waarover we zoveel gehoord hebben. Maar er kwam niets.”

„Het bestuur dat wij in Irak hebben gekregen is niet het A-team. Het is niet eens het B-team. Het is het C-team, en ze zouden in de Verenigde Staten niet in staat zijn om een openbaar toilet te runnen,” zegt Salam Pax. (Salam Pax was het pseudoniem voor Salam Abdulmunem. Hij is tegenwoordig woordvoerder voor Unicef in Syrië.)

Het is aandoenlijk om terug te lezen hoe Salam in het artikel ruzie maakt met Raed Jarrar, de derde vriend. Raed, de anti-imperialist, maakt zich zorgen dat er straks op elke straathoek een McDonald’s is. Salam wil die McDonald’s graag eerst hebben zodat hij zelf kan beslissen of hij er wil gaan eten of niet. Er is nog altijd geen McDonald’s in Irak. Er was ooit een Burger King, maar de Amerikanen hebben die mee teruggenomen toen zij in 2010 zijn vertrokken.

Corruptie

De legitimiteit van de oorlog, de vraag of de massavernietigingswapens bestaan: het boeit de Irakezen niet in de dagen na de val van Bagdad. De realiteit waarmee zij geconfronteerd worden, is anarchie.

Hoewel de Amerikanen volgens het oorlogsrecht verplicht zijn om de ordehandhaving over te nemen, doen zij niets om het plunderen op grote schaal een halt toe te roepen. Het enige wat de Amerikanen beschermen is het olieministerie. Het is een bijna cartooneske bevestiging van de slogans tijdens de anti-oorlogsbetogingen die aan de invasie voorafgingen: dat dit een oorlog om olie is.

Het idiote is dat dat niet eens waar is: de Verenigde Staten zullen nog jarenlang olie naar Irak brengen. De Amerikaanse belastingbetaler zal daarbij zwaar getild worden door defensiebedrijven als Halliburton, de vroegere firma van toenmalig vice-president Dick Cheney.

In het eerste jaar van de bezetting wordt 12 miljard dollar in cash naar Irak gevlogen, geld dat afkomstig is van bevroren Iraakse tegoeden. Een commissie van het Amerikaanse Congres zal later vaststellen dat er van 8,8 miljard dollar geen spoor terug te vinden is. Een deel duikt later op in een bunker in Libanon.

De corruptie vormt de basis voor een hele generatie Iraakse politici die na 2003 aan de macht komt. Eerder dit jaar heeft de Iraakse president Barham Salih gezegd dat sinds 2003 voor 150 miljard dollar aan olie-inkomsten zijn verduisterd. Pas eind 2019 zullen de Irakezen daar massaal tegen in opstand komen.

Voor de journalist is Irak post-Saddam een paradijs. Ik ga één keer embedded bij de Amerikaanse troepen in de soennitische driehoek. De week daarop ga ik embedded bij het Iraakse verzet in dezelfde regio.

Ik ga één keer embedded bij de Amerikaanse troepen in de soennitische driehoek. De week daarop ga ik embedded bij het Iraakse verzet in dezelfde regio.

Wanneer de rebellen zeggen dat zij dozijnen Amerikaanse soldaten hebben gedood bij een recente mortieraanval weet ik dat zij liegen: ik was erbij en hun mortiergranaten hadden de basis helemaal gemist en in plaats daarvan twee burgers gedood in een belendende wijk.

Maar wanneer mensen zeggen dat de Amerikanen hun huizen met de grond gelijk hebben gemaakt omdat er pro-Saddam-graffiti op stond, of hun familie hebben gearresteerd omwille van een oude Saddam-poster onderaan een klerenkast, weet ik dat dat waar is, want ik stond te kijken toen zij dat deden.

Embeds zijn natuurlijk bedoeld om empathie aan te moedigen tussen de journalist en de troepen. En het is makkelijk om empathie te hebben met ‘mijn’ bevelhebber, kolonel Nate Sassaman. Hij is een ‘larger-than-life’-figuur die overal een kei meeneemt van het strand in Normandië waar zijn eenheid aan de bevrijding van Europa heeft deelgenomen, die het Amerikaanse volkslied uit een Humvee laat knallen in de versie van Whitney Houston telkens als een soldaat huiswaarts keert. Op een bepaald moment vraagt Sassaman vertwijfeld: „Wat doe ik hier? Dit is niet waarvoor wij zijn opgeleid. Wij zijn opgeleid om mensen te doden.” Bij gebrek aan een plan van hogerhand trekt Sassaman zijn eigen conclusies: de sjiieten die (dan nog) blij zijn met de komst van de Amerikanen belonen, en de soennieten die dat niet zijn afstraffen. Sassaman wordt later oneervol ontslagen nadat zijn mannen (soennitische) Irakezen in de Tigris hebben gegooid, waar zij verdrinken.

We hadden het eerder kunnen weten. Begin 2004 sta ik met mijn Iraakse fixer bij de moskee in Bagdad die bekendstaat als een haard van het verzet tegen de Amerikaanse bezetting. Er worden pamfletten uitgedeeld waarin haarfijn uit de doeken wordt gedaan wat er in de Abu Ghraib-gevangenis aan de hand is. Maar zelfs mijn fixer, al is zij rabiaat anti-Amerikaans en pro-Saddam, hecht er geen geloof aan. Propaganda, zegt zij, de Amerikanen zouden zoiets niet doen.

Wanneer de Amerikaanse journalist Seymour Hersh in mei zijn Abu Ghraib-artikel publiceert, laat ik het pamflet alsnog vertalen. Het stond er allemaal letterlijk in. Van mijn Amerikanisme blijft dan niet veel meer over. Ik schrijf opnieuw een opiniestuk, nu in NRC.

„Abu Ghraib”, schrijf ik, „was het logische gevolg van de Amerikaanse houding tegenover de Iraakse burgers zoals we die elke dag op straat zagen, van het gedrag dat we met eigen ogen konden zien toen we embedded waren bij de troepen.”

Al-Qaida

In die tijd heb ik een aftandse Opel met nummerplaten uit Azerbeidzjan waarmee ik zomaar naar Fallujah en Ramadi rijd. Terugblikkend was dat ongelooflijk dom en naïef. Maar wij journalisten zijn dan de kikkers in langzaam aan de kook gebracht water: het besef dat Al-Qaida wortel aan het schieten is in Irak, komt pas geleidelijk.

Op een dag in april 2004 is de Amerikaan die meestal naast mij zit in het cybercafé van het hotel, plots verdwenen. Nick Berg was een vage figuur: een freelance zakenman op zoek naar een lucratief contract in het nieuwe Irak.

Een maand later wordt zijn onthoofde lijk teruggevonden langs een snelweg in Bagdad. Daags nadien duikt een video op van Berg in de oranje plunje die de gevangenen in Guantánamo dragen. Berg wordt in de video onthoofd, heel waarschijnlijk door Abu Musa al-Zarqawi, de grondlegger van wat later Islamitische Staat zal worden.

Tien jaar later zullen we collega’s zien opduiken in de video’s van IS in Irak en Syrië. Maar in die tijd blijven we koppig naar Fallujah gaan, met als enige bescherming een kefiyeh (Arabische doek, red.) om het hoofd. We staan dan onder de bescherming van de Al-Hadrah al-Muhammadiya-moskee. Maar tijdens een bezoek in juni 2004 vertelt de sjeik dat er nieuwkomers zijn in Fallujah. „Het zijn duivels, wilde mensen die zich voordoen als moedjahedien.” Als we de volgende keer naar Fallujah willen, kan de moskee geen bescherming meer bieden. „U mag alle sjeiks van Fallujah mee in de auto hebben, en het zou geen enkel verschil maken. Ze zouden u vermoorden terwijl ik erbij sta.”

2006-Arabische Lente

Libanon/Caïro

Het volgende hoofdstuk speelt zich grotendeels zonder getuigen af. Al-Qaida, inmiddels Islamitische Staat van Irak geworden, ontketent met bloedige aanslagen een orgie van sektarisch geweld. Hele wijken van Bagdad lopen leeg, miljoenen Irakezen verkassen naar Jordanië, Syrië of Zweden. Zelf ga ik vanaf 2006 in Libanon wonen en later, wanneer de Arabische Lente is losgebarsten, in Caïro.

Democratie is plots minder belangrijk voor de Amerikanen als mensen in bevriende dictaturen erom vragen. Joe Biden, dan Obama’s vice-president, verdedigt Hosni Mubarak tot de laatste snik. „Ik zou hem geen dictator noemen. Hij is onze bondgenoot op veel vlakken,” zegt Biden, die Mubarak afraadt om af te treden.

Wanneer, Abdel Fattah al-Sisi in 2013 aan de macht komt, en een repressie invoert waarbij die van Mubarak verbleekt, staan westerse staatshoofden in de rij om hem met egards te ontvangen. Democratie in het Midden-Oosten, dat was even leuk, maar uiteindelijk geniet het beproefde steunen van sterke mannen in de oorlog tegen de terreur toch de voorkeur.

Niet alle problemen in het Midden-Oosten zijn terug te voeren tot de Amerikaanse invasie in 2003. Maar IS was nooit zo groot geworden als Amerikaans proconsul Paul Bremer in 2003 niet het Iraakse leger naar huis had gestuurd, plus iedereen die ooit lid was geweest van Saddams Ba’athpartij, waardoor die in de armen van Al-Qaida werden gedreven. Bremer, tegenwoordig skileraar in Colorado, verdedigt die beslissing nog altijd, vorige maand nog in een opiniestuk in The Wall Street Journal, waarin hij stelt dat Irak, anders dan Afghanistan, wel een succesverhaal is.

2021

Parijs

Of de oorlog tegen terreur een succes is geweest hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt. In 2007 geeft George W. Bush een toespraak voor veteranen in Nevada. Hij zegt: „Our strategy is this: we fight them over there so we don’t have to fight them in the United States of America.

Zo bekeken is het wel een succes geweest. Terwijl Amerika zich terugtrekt uit zijn forever wars, begon deze week in Parijs het proces over de aanslagen van november 2015, onder meer op concertzaal Bataclan. De VS zijn de afgelopen twintig jaar inderdaad grotendeels verschoond gebleven van grote terreuraanslagen.

De prijs is elders betaald. Bijvoorbeeld met aanslagen en vluchtelingen in precies die Europese landen die in 2003 niet wilden meedoen aan de oorlog in Irak: Duitsland, Frankrijk, België.

Bij de aanslagen in Parijs in november 2015 kwamen 130 mensen om het leven. Foto Thibault Camus/AP

In 2015 trek ik met een groep Syriërs van Turkije naar Duitsland via de Balkanroute. De groep landt op 11 juli op het Griekse eilandje Chios. Precies een week later passeert daar ook de Belgische jihadist Abdelhamid Abaaoud, hij is op weg naar de aanslagen in Parijs. Abaaoud was ooit een buurman toen ik in Molenbeek woonde – 9/11 was al dicht bij huis, het kon blijkbaar nog dichterbij.

Maar de hoogste prijs voor de aanslagen is betaald in de regio. Een nieuw rapport van het Costs of War-project schat het dodental van de oorlog tegen terreur sinds 9/11 op bijna een miljoen. Ter herinnering: op 11 september 2001 waren het er 2.977.

Het is niet onmogelijk om empathie te hebben met beide. Een laatste duik in het archief: een interview in 2002 met Rita Lasar. President George W. Bush heeft haar broer Abe Zelmanowitz gelauwerd omdat die weigerde een vriend in een rolstoel achter te laten in de noordertoren. Maar Lasar is ook de grondlegster van de beweging van slachtoffers van 9/11 tegen de oorlog in Irak. Die beweging heette Not in our name. In 2008 stierf die een stille dood.

Lees ook Zes jaar later nog steeds wakker worden met angstaanvallen – proces Bataclan begint