Zoek me niet

‘De dagen gingen langzaam en ook snel, zoals dat gaat met dagen.’

Deel 10: Verkeerde liedjes

Illustratie Sharon Coone

Sinds ik was opgeknapt bezocht het zwarte paard met de negen hoofden me alleen nog overdag. Bij daglicht begreep ik niet waar ik zo bang voor was geweest, het was een uiterst vriendelijk en beleefd paard dat altijd informeerde naar mijn welzijn en dat van mijn dochter. Uitstekend, zei ik tegen het dier, we maken het uitstekend, alleen zouden we zo onderhand wel graag naar huis gaan. Waarop acht hoofden begrijpend knikten en het negende mijn dochter een zacht kopje gaf.

Een paar dagen na de verdwijning van de vrouw had ik de autoriteiten ingeschakeld. Uitgebreid deed ik mijn verhaal, van onze ontmoeting in het park tot de reis, halsoverkop, naar Venetië. Ik vertelde over de Jiddische liedjes die ze voor mijn dochter zong, haar verleden als au pair, de miskraam jaren terug hier in Venetië. „Hotel La Mia Casa”, zei ik erbij, want ik had het allemaal precies onthouden, „op de binnenplaats van éénsterrenhotel La Mia Casa, onder de hibiscus, begroef ze haar perfecte miniatuurdochter van porselein.”

Ik complimenteerde de inspecteur — de man was ongetwijfeld inspecteur, hij droeg geen agentenuniform maar een heel gewoon pak — met zijn Nederlands, al zei hij nauwelijks iets, hij knikte zo nu en dan en maakte notities.

Al met al had ik het idee dat ik het goed had gedaan. Ik was niets vergeten, en wat ik niet had verteld, dat ik door haar was vergiftigd, liet ik bewust achterwege. Hij zou er toch niets van begrijpen, van haar niet, van ons niet.

De vader van het kind kwam, ik had hem niet uitgenodigd, maar ineens stond hij in mijn kamer. Hij keek me aan op die manier van hem, die bezorgde manier van vroeger, en ik vroeg hem niet zo te kijken.

„Hoe?” vroeg hij, en ook dat hoorde bij die manier.

„Haal me hier weg”, fluisterde ik hem in zijn oor zodat de lange jongen hem niet zou horen. „Laten we naar huis gaan met zijn drieën. Ze hebben ons niet nodig om te zoeken naar de vrouw uit het park.”

Het enige wat hij deed was schudden met zijn hoofd. En liedjes zingen voor onze dochter, allemaal verkeerde liedjes.

Zoek me niet, had ze tegen me gezegd, die laatste keer dat ik haar zag. En dus liet ik het zoeken over aan anderen. Ik nam mijn paracetamol, keek naar de paarse hibiscus in de tuin. Soms, als ik alleen was, droeg ik het Venetiaanse masker over mijn echte gezicht. Amusant, vond het paard.

De dagen gingen langzaam en toch ook snel, zoals dat gaat met dagen. Ik raakte de draad een beetje kwijt, al liet ik dat aan niemand merken, zoals ik ook niet liet merken dat ik mijn dochter af en toe nergens kon vinden.

Ik dacht veel aan de vrouw uit het park. Haar pijn was nu mijn pijn geworden, zoals vroeger mijn pijn de hare was. Ik wilde haar vertellen dat ik het begreep, alles zo vreselijk goed begreep. Ik wilde haar in bed leggen en aaien, en onvermoeibaar de juiste liedjes zingen.

Dit is het laatste deel van Zwart Paard.