Opinie

Persoonlijke belediging

Frits Abrahams

Een mooie, nazomerse middag in Amsterdam, het is tijd voor opgewektheid. Wat kan er nog fout gaan? Dit. Op het trottoir langs de Oosterdokskade lopen drie jonge, witte, gezonde, wijdbeense Nederlandse mannen. Ze praten en lachen luid, zoals mannen wel vaker doen als ze elkaar of zichzelf willen imponeren. Hun tongval verraadt een afkomst ergens in Oost-Nederland.

Ter hoogte van de Openbare Bibliotheek komt hun een jonge vrouw tegemoet. Ze loopt naast haar fiets in de richting van een fietsenrek. De ruimte op het trottoir wordt even iets smaller, maar ze weet nog net langs de mannen, die hun pas niet inhouden, te glippen.

Een van de mannen zegt goed verstaanbaar tegen zijn metgezellen: „Chinezen lopen altijd door.”

Gelach.

Terwijl ze hun tocht vervolgen, kijk ik nog eens goed naar de vrouw. Hoewel ze een mondkapje draagt, is duidelijk te zien dat ze een Aziatisch uiterlijk heeft. Ze moet de belediging hebben gehoord, maar laat niets merken terwijl ze haar fiets in het rek plaatst. Om haar heen gaat het leven gewoon door, alsof die vier woorden geen harde feiten zijn, maar onschuldige vogels in de lucht.

Ik schat haar op een jaar of achttien, negentien. Hoe vaak zal ze dergelijke beledigingen geïncasseerd hebben? Ik zou het haar graag willen vragen, maar dit lijkt me niet het goede moment, ook omdat ik niet helemaal zeker weet of ze de opmerking gehoord heeft.

Wás het een belediging? Beledigen is iemand kwetsen in zijn eer of eergevoel, definieert het woordenboek. Dat kon hier zeker het geval zijn, ook al liet de vrouw niets merken. Of het een discriminatoire, strafbare vorm van beledigen was, laat ik graag aan de juristen over.

Er zijn ook beledigingen die niet als zodanig bedoeld zijn, bijvoorbeeld tactloze opmerkingen die voortkomen uit domheid of onwetendheid. Dat mocht ik toevallig diezelfde middag aan den lijve ervaren.

Op weg naar huis kreeg ik op een stoep plotseling een flinke klap tegen mijn hoofd. Wankelend als een aangeslagen bokser voelde ik aan mijn hoofd en merkte dat mijn pet eraf was geslagen. Ik keek naar boven en zag toen pas de dader: de luifel van een winkel in voedingswaren op de hoek. Omdat ik te lang (1.92) ben en de luifel te laag hing, was ik er keihard tegenaan gelopen.

Boos liep ik naar binnen en wendde me tot het winkelmeisje achter de toonbank.

„Sinds wanneer hebben jullie die luifel zo laag hangen?” vroeg ik nogal retorisch, want wat deed het er eigenlijk toe wannéér ze ermee begonnen waren? Misschien was het die middag wel de eerste keer.

„Hoezo?” vroeg ze.

„Omdat ik er net tegenaan geknald ben.”

„Ach, wat vervelend”, zei ze.

„U kunt dat ding toch hoger hijsen?”

„Dat is moeilijk”, zei ze. „Want dan krijgen de chocolaatjes achter mij te veel zon en gaan ze smelten.’”

Ik was even sprakeloos. Dat een hoofd minder waard was dan een paar chocolaatjes onderging ik als een, jawel, persoonlijke belediging die me nog lang al heugen.

Ik heb gereageerd met enkele krachttermen die niet thuishoren in nette kranten als NRC. Gelukkig had ik nog net genoeg tegenwoordigheid van geest om het meisje in kwestie niet persoonlijk te beledigen.