Na 9/11 werd ik ineens uitgemaakt voor ‘dochter van Bin Laden’

Moslim na 9/11

Op de katholieke basisschool in de Achterhoek is Wafa Al Ali als moslima een zeldzaamheid. Klasgenoten bevragen haar over de Ramadan en vijf keer bidden per dag. Na 9/11, dan is ze tien, maakt nieuwsgierigheid plaats voor wantrouwen. Ze wordt gepest, zegt ze tegen het Jeugdjournaal, dat een item maakt. Twintig jaar later blikt Wafa Al Ali, NRC-redacteur terug, ook met generatiegenoten. Over angst voor Arabische mannen, schaamte en het stempel van ‘moslim’.

Hoofdstuk I

Sint Jozefschool, 2001

Dinsdag 11 september 2001 is in Winterswijk een zonovergoten dag. Ik ben tien jaar oud. Mijn schooljaar in groep zeven is net begonnen, maar deze schooldag zit er alweer op. Terwijl ik de woonkamer van onze kleine flat binnenloop valt mijn oog op de televisie. Die is zoals gewoonlijk op de Arabische zender Al Jazeera afgestemd. Sinds mijn vader de satellietschotel op ons balkon heeft gemonteerd, is mijn veilige wereld samengesmolten met een universum waarin op elkaar gestapelde kinderlijken worden getoond, waar Palestijnse leeftijdgenoten voor rondvliegende kogels schuilen en uiteindelijk in de armen van hun vaders sterven.

Die dinsdagmiddag zie ik iets ongewoons op Al Jazeera. De nieuwslezer lijkt in een hoger tempo dan normaal te praten. Live zie ik een vliegtuig een hoog gebouw doorboren. Uit het gebouw ernaast slaan dan al flinke rookwolken. Opeens zoomen de camera’s in: springen er nou mensen uit de ramen? De rest van de dag zit ik voor de televisie op mijn kamer te zappen tussen Nederlandse zenders. In de loop van de avond hoor ik de woorden „islam”, „Midden-Oosten” en „terrorisme” steeds vaker.

Het artikel gaat verder onder de video

Als de vliegtuigen zich in de torens boren, kijkt Gerard Huijskes op de enige televisie van de Sint Jozefschool naar het nieuws. Hij heeft meteen in de gaten dat de hele wereld naar een terroristische aanslag zit te kijken. „Veel kinderen gingen snel over tot de orde van de dag, maar dat gold niet voor iedereen”, herinnert mijn schoolmeester van groep zeven zich.

Massapsycholoog Jaap van Ginneken, inmiddels 79 jaar, ziet de beelden van het World Trade Center op het vieruurjournaal. Meteen weet ook hij dat de wereld zal veranderen, vertelt hij me, terugkijkend op 9/11. De al aangekondigde botsing der beschavingen, naar politicoloog Samuel Huntington, die stelde dat, na de Koude Oorlog, culturele en religieuze identiteit de belangrijkste oorzaak van nieuwe conflicten zou zijn, barstte volgens hem op dat moment symbolisch los. „Osama Bin Laden was een heel goede massapsycholoog”, zegt Van Ginneken, hoe cynisch hij die kwalificatie ook vindt. „Er is goed nagedacht over het beeld en wat dat teweeg zou brengen.”

Dat ik anders ben dan mijn klasgenoten op mijn katholieke basisschool weet ik al ruim voor de aanslagen. In mijn jeugdjaren zijn moslims in de Achterhoek een zeldzame soort. Ik kan mijn vriendinnen met Arabische wortels op nul handen tellen. Ik heb er geen enkele moeite mee. Sterker nog, mijn klasgenoten stellen me tot die tijd allerlei vragen over de islam en de Arabische cultuur. Moet jij ook vijf keer per dag bidden? Mag je echt niks drinken tijdens de Ramadan? Die beantwoord ik met veel geduld en plezier. Ja, vijf keer per dag bidden is verplicht, maar lang niet alle moslims doen dat. Nee, tussen zonsopkomst en zonsondergang mag je helemaal niets eten en drinken. Een jaar voor de aanslagen houd ik een spreekbeurt over de islam, waar ik een dikke negen voor krijg.

De aanslagen van 11 september laten niet alleen de wereld op zijn grondvesten trillen. Ook mijn zelfbeeld zal aan het wankelen worden gebracht. De nieuwsgierige vragen van mijn klasgenoten worden verruild voor pesterijen die twintig jaar later nog impact hebben.

Het ‘oerbeeld’ van de ineenstortende torens zorgt voor een „breinbeving”, zoals Van Ginneken het noemt: een radicale, snelle en massale omslag in de publieke opinie. In dit geval, zegt hij, werd „de manier waarop westerlingen tegen de islam aankeken” herschikt. Het duurde niet lang voor de eerste generalisaties over moslims werden geuit, zij het met tussenzinnetjes als „ja, ze zijn niet allemáál slecht, maar…” De teneur in het publieke debat werd dat de islamitische cultuur vreselijk is, zegt Van Ginneken daar nu over. Precies wat Bin Laden voor ogen had. Zijn doel was immers die botsing der beschavingen op scherp te zetten. Niet alleen de Amerikaanse president George W. Bush trapte in die val met zijn „You are either with us or you are with the terrorists”, een uitspraak van kort na de aanslagen. In Nederland, zegt Van Ginneken, begonnen politici ook over „de islam dit en de islam dat”.

Op vrijdag reserveert meester Gerard het overblijflokaal zodat we op de enige televisie van de school naar kinderjournaals en andere educatieve programma’s kunnen kijken. Brein achter de aanslagen Osama Bin Laden stuurt op 7 oktober 2001 een tape naar Arabische televisiezenders, ook naar Al Jazeera. Die promoot de geplande uitzending ervan alsof het de eerste Harry Potterfilm is. Op vrijdag 11 oktober, we kijken met de klas naar Schooltv, zie en hoor ik Bin Laden de Verenigde Staten bedreigen.

Ik buig me naar een klasgenoot en fluister dat ik die bebaarde man op televisie kan verstaan, we spreken dezelfde taal. Voor ik het weet word ik uitgemaakt voor „de dochter van Bin Laden”. Later noemt een klasgenoot mij tijdens een rekenles „terrorist”. Anderen praten hem na. Wanneer ik dit bij de meester meld, ontkent de pestkop. Meester Gerard gelooft hem en vraagt mij geïrriteerd: „Waarom zeg je dit, Wafa?”

Ik kon er niet omheen: Arabische mannen op openbare plekken beangstigden mij

Een klein jaar na de aanslagen zie ik een oproep op de website van het Jeugdjournaal, mijn lievelingsprogramma. De redactie wil weten hoe Nederlandse kinderen de aanslagen hebben beleefd. Ik tik snel een berichtje. Niet lang daarna belt de redactie naar ons huis: mogen we langskomen om uw dochter te interviewen? Natuurlijk, antwoorden mijn verraste ouders.

Voor ik het weet staat er een cameraploeg in mijn slaapkamer. Heel moedig dat je je verhaal wilt doen, zegt de vriendelijke verslaggever. Een felle lamp verlicht mijn gezicht terwijl achter mij een gifgroen doek wordt gehangen.

Het interview is al een tijdje bezig wanneer de blik van de verslaggever mij opvalt. Ze kijkt me vol medelijden aan wanneer ze vraagt wat ik ervan vind dat ik om mijn afkomst ben gepest. „Ik vind het best erg dat ik daarmee word gepest”, zeg ik vastberaden, al struikel ik door de emoties over mijn woorden.

9/11 gaat niet meer weg. Het blijkt het begin van een woelige periode in de Nederlandse samenleving.

Dolgraag wilde ik voor de buitenwereld ‘gewoon Nederlands’ zijn, vanuit een drang om gerust te stellen

Kort voor de verkiezingen van 2002 wordt Pim Fortuyn doodgeschoten door milieuactivist Volkert van der G.. Fortuyns medestanders houden het establishment en de media verantwoordelijk: zij hadden Fortuyn gedemoniseerd vanwege zijn islamkritiek. Filmmaker Theo van Gogh wordt in 2004 in koelen bloede op straat vermoord door Mohammed B. vanwege beledigingen aan het adres van Allah en de profeet. Vanaf 2004 worden Europese landen geteisterd door terreuraanslagen. Het publieke debat wordt vijandiger over moslims en hun plek in Nederland. De teneur is vaak: je bent voor of tegen, het een of het ander. Een beetje van alles kan even niet meer, en dat in een cruciale periode voor de ontwikkeling van mijn identiteit.

In mijn tienerjaren tot halverwege de twintig keer ik mijn Arabisch-islamitische achtergrond de rug toe. Dolgraag wil ik voor de buitenwereld ‘gewoon Nederlands’ zijn, vanuit een drang om gerust te stellen.

Op mijn negentiende hoor ik mezelf tegen een knappe blonde jongen zeggen dat ik „half moslim” ben. Ineens besef ik dat ik niet in het hokje ‘moslimvrouw’ wil worden gedrukt. Ik wil niet op voorhand gedefinieerd worden en me al helemaal niet steeds moeten verdedigen.

Wanneer Geert Wilders in 2010 rept over „de achterlijke islamitische cultuur” weet ik dat ik me niet aangesproken hoef te voelen. Toch kan ik niet anders. Hoe geïntegreerd en ‘verwesterd’ ik ook mag zijn, politici en opiniemakers beschrijven de cultuur van mijn (voor)ouders als achterlijk en verwerpelijk, en vallen daardoor ook een belangrijk deel van mijn identiteit en geschiedenis aan.

Op mijn negentiende hoor ik mezelf tegen een knappe blonde jongen zeggen dat ik „half moslim” ben

Het is begin 2017. Ik ben 26. De sessie met mijn psycholoog is nauwelijks begonnen of ik barst al in tranen uit: „De mannen waar ik het over heb lijken op mijn vader en broertjes, ik zou toch béter moeten weten?” Ik kan er niet meer omheen: Arabisch uitziende mannen op openbare plekken beangstigen mij. Drukke knooppunten waar ik regelmatig kom zijn een grote trigger: de treinstations van de vier grote steden, Schiphol en de treintunnels tussen Amsterdam en Rotterdam.

Ik schaam me voor mijn angst. Hoe heeft het zover kunnen komen dat ook ik doordrongen ben van het negatieve frame over Arabieren en moslims? Juist ik moet toch weten hoe onterecht dat is? Toch verdenk ik in de trein of op straat regelmatig Arabische mannen die zich raar gedragen ervan dat ze elk moment een bom tot ontploffing zullen brengen. De angst is soms zo sterk dat ik in paniek uit de trein stap.

Drie jaar oud was ik toen mijn ouders, op de vlucht uit Libanon, in Nederland asiel aanvroegen. Inmiddels ben ik afgestudeerd en werk ik bij de krant die ik als tiener verslond. Ik ben nu dertig, net getrouwd, deze zomer kochten we een huis.

Als het concept ‘Nederlandse Droom’ bestond, dan zou ik de belichaming daarvan kunnen zijn.

Maar ik merk dat Nederland soms een nare droom is, zeker voor nieuwkomers en oudkomers met een niet-westerse achtergrond. Voor mij heeft dat met 9/11 te maken. Hoe is dat geweest voor leeftijdgenoten met een soortgelijke achtergrond, die eveneens net in de puberteit kwamen toen de aanslagen plaatsvonden? Wat is het verhaal van ‘Generatie 9/11’ in Nederland?

Ik ga op zoek.

Hoofdstuk II

Generatie 9/11

Kort na de aanslagen wordt ook de dan elfjarige Parham Rahimzadeh voor terrorist uitgemaakt; de vader van een vriendje vindt dat een geinige bijnaam. Kleine Parham, van Iraans-Arabische herkomst, kan er wel om lachen. Nu beseft hij dat het „echt niet zo onschuldig” was. „Die vader noemde me terrorist op basis van het beeld dat hem was voorgeschoteld van moslims en mensen uit het Midden-Oosten.”

Rahimzadeh, nu 31 jaar oud, schrijver en fiscalist, groeide op in de Schiedamse probleemwijk Groenoord. Zijn niet-westerse achtergrond bleek er een voordeel: „Daarmee kon ik laten zien dat ik een van hen [buurtgenoten met een niet-westerse achtergrond, red.] was.” Zijn buurtgenoten reageren gelaten op de aanslagen van 11 september: zij vinden het het verdiende loon van „die vieze Amerikanen” die zelf duizenden onschuldige mensen in het Midden-Oosten platbombarderen.

De Libanees-Nederlandse Farah Bazzi is op het moment van de aanslagen twaalf jaar oud en net uit school in Leidschendam. Met haar moeder kijkt ze uren verschrikt televisie. „Die verschrikkelijke beelden waren eng en deden pijn”, herinnert ze zich.

Reflectie van tv-beelden door ramen van een winkel in Manhattan, een paar maanden na 9/11. Foto Spencer Platt/Getty

Na de aanslagen wordt Farah, kersvers brugpieper, door haar geschiedenisdocent en klasgenoten aangekeken: heeft zij misschien een verklaring? Dragen de islamitische geschriften dit soms op? Waarom zijn ‘ze’ boos op ‘ons’?

„Velen realiseren zich niet dat veel Nederlandse moslims zich pas in de periode na 11 september bewust werden van hun islamitische identiteit. Islamitische jongeren kregen in die periode erg weinig ruimte om dat voor zichzelf uit te vinden”, stelt Bazzi, inmiddels promovenda aan de Amerikaanse Stanford-universiteit op vroegmoderne mediterrane en Atlantische geschiedenis. „Je werd een ‘moslim’, of dat je nou wilde of niet, en je móést een positie innemen.”

Ook Parham heeft dat zo ervaren, vertelt hij. Hij ergert zich aan de verwachting dat moslims een standpunt moeten innemen, telkens als in het Westen een aanslag wordt gepleegd. Maar in dit gesprek wil hij toch vooropstellen dat het heel erg is dat de aanslagen, waarbij 2.977 onschuldige mensen omkwamen, zijn gepleegd. Waarom wordt dat niet van westerlingen gevraagd als het gaat om de talloze bombardementen in het Midden-Oosten – in Irak, in Jemen? „Als het in een westers land gebeurt, is het opeens duizendmaal erger.” Het zet hem aan het denken: zijn de levens van westerlingen meer waard dan die van mensen uit het Midden-Oosten?

Door moslims steeds weer te vragen zich te distantiëren van een aanslag, „insinueer je bij voorbaat dat zij niet bij het historische verhaal horen. En ook dat de aanslag niet tegen henzelf kan zijn gericht”, zegt Bazzi. De generatie islamitische jongeren die rond de millenniumwisseling opgroeide, is daarom door „dubbele pijn” geraakt. Pijn om het onbegrip: snappen mensen niet dat ook wij worden geraakt door wat terroristen doen, het zaaien van angst, dood en verderf? Maar ook pijn, zegt ze, om het feit dat juist wij ons steeds moeten verantwoorden. Wat zegt dit over onze plek in de samenleving?

Heeft mijn klasgenoot eigenlijk zelf bedacht dat hij mij voor terrorist ging uitmaken?

Zo groeit een generatie moslims op met het gevoel zich steeds te moeten verdedigen. Met het gevoel bij voorbaat verdacht en schuldig te zijn. Alleen maar omdat wij een bepaalde religie aanhangen, of daarmee geassocieerd worden vanwege ons voorkomen en onze naam. Dat bracht velen „in een moeilijke positie”, zegt Bazzi met gevoel voor understatement.

Van Ginneken vertelt me dat de kennis over de islam als religie en cultuur rond de millenniumwisseling nul was. Dat kort na de aanslagen onvoldoende cultuurdeskundigen en vertalers voorhanden waren, als gevolg van forse bezuinigingen in de mens- en geesteswetenschappen. Voor hem teken van een „perverse geringschatting van de islamitische cultuur”.

Het wij-zijframe van de botsing der beschavingen verdween niet in het islamdebat na 9/11, zegt Bazzi. „Het debat stokt nog altijd bij de vraag of de islam slecht is. Er wordt naar de islam gekeken als naar iets buitenaards, iets wat eigenlijk niet hoort bij de Nederlandse geschiedenis. Terwijl Nederland als kolonisator Indonesië in handen had, het grootste moslimland ter wereld.” Complexere antwoorden op integratieproblemen, bijvoorbeeld sociaaleconomische en politieke ontwikkelingen, raken ondergesneeuwd.

Heeft mijn klasgenoot eigenlijk zelf bedacht dat hij mij voor terrorist ging uitmaken, of heeft hij dat woord thuis van zijn ouders opgevangen? Ik wil het hem graag vragen, maar hij wil voor dit artikel niet met mij praten.

Van Ginneken twijfelt geen seconde: „Die klasgenoot heeft het niet zelf bedacht.” Kinderen groeien op met een referentiekader dat hun met de paplepel wordt ingegoten. „We zijn opgevoed met de gedachte dat we bij één land en cultuur horen.” Dus als kinderen volwassenen horen praten over terroristen die moslim zijn, gaan ze vanzelf denken dat alle moslims wel terrorist zullen zijn.

Ik studeerde niet alleen hard om mijn ouders trots te maken: ik wilde me wapenen

Europees onderzoek naar discriminatie uit 2017 toont aan dat moslims in Nederland relatief de meeste discriminatie ervaren. Xenofoob taalgebruik door politici en media geven Nederlandse moslims een „gevoel van uitsluiting”, stelt ander onderzoek. Het Sociaal en Cultureel Planbureau waarschuwt voor de consequenties: zo ontstaan parallelle samenlevingen. En: gevoelens van vervreemding en vernedering kunnen radicalisering in de hand werken, aldus het SCP.

Parham heeft veel jongeren in zijn wijk in Schiedam gezien die zich buiten de Nederlandse samenleving geplaatst voelden. Ronselaars voor de strijd in Syrië speelden volgens hem daarop in. Hij heeft jongens gekend die de criminaliteit verruilden voor een vroom bestaan, sommigen later zelfs Schiedam voor het kalifaat van IS.

Tegelijkertijd wordt de stem van mijn generatie voor het eerst echt opgemerkt in journalistiek en media. We delen een gezamenlijke ervaring. Aan het begin van onze puberteit werden we opeens bekeken met andere ogen, met wantrouwen. Dat heeft ons geraakt, maar soms ook sterker gemaakt. Het heeft denk ik bijvoorbeeld sterk mijn geldingsdrang gevoed. Ik heb niet alleen zo hard gestudeerd om mijn ouders trots te maken.

Ik wilde me wapenen. Kennis en welbespraaktheid bleken belangrijke zaden voor mijn onafhankelijkheid.

Hoofdstuk III

Sint Jozefschool, 2021

Zomer 2021. In mijn oude school in Winterswijk kijk ik met meester Gerard de Jeugdjournaalfragmenten uit 2002 terug. Hij herinnert zich trots te zijn geweest op mijn televisieoptreden. Ook dat hij het erg vond toen hij me op tv hoorde vertellen dat hij mij niet serieus had genomen over de pesterijen. „Dat deed mij eigenlijk wel zeer, want jij werd zeker serieus genomen.” Meester Gerard kijkt me ernstig aan.

Je thuis voelen, je veilig voelen, zegt hij, is de basis van alles. Daarom maakte hij aan het begin van elk schooljaar samen met zijn leerlingen een pestprotocol. Ook met mijn klas. Het thema respect kreeg een prominente plek in de les: hoe ga je met elkaar en elkaars verschillen om? Hoe vaak dat gesprek in de klas werd gevoerd, verschilde per groep. Meester Gerard zegt dat hij iedereen juist heel serieus nam, zeker als het pestgedrag betrof. „Of het nou gaat om iemand die net een nieuwe bril heeft of in dit geval voor terrorist wordt uitgemaakt”, legt hij uit. „Daar doe je iets mee.”

Hoe moet ik mijn voormalige schoolmeester nu begrijpen? Is mijn Arabische achtergrond net zoiets als het dragen van een nieuwe bril?

Hoofdstuk IV

Nederland anno nu

De aanslagen van 9/11 zijn twintig jaar geleden. Grootscheepse, ontwrichtende aanslagen in Nederland bleven tot nog toe uit. Kick Out Zwarte Piet en Black Lives Matter maakten Nederland bewuster van alledaags en institutioneel racisme. Mijn generatie kan in elk debat weerwoord geven, dankzij sociale media.

Maar sommige dingen veranderen niet, zoals de ‘complimenten’ die ik nog regelmatig krijg in de trant van „wat spreek jij goed Nederlands” of „ik vind jou meer Nederlands dan Arabisch”. Tolerantie, zegt Parham Rahimzadeh, „betekent dat de meerderheid het oké vindt dat ook anderen hier zijn”. Maar daarmee blijven anderen precies dat: anderen.

Wat ook niet verandert: mijn paniekaanvallen. Sinds ik aan dit stuk werk, nemen ze weer toe. Ik weet veel over terreur, ik heb er mijn masterscriptie over geschreven. Dagelijks voed ik mezelf met nieuws en verhalen uit de regio die mijn ouders zijn ontvlucht.

Dat Nederland, anders dan andere Europese landen, nog steeds niet is opgeschrikt door een grote terreuraanslag, vind ik een wonder. Een wonder waar Nederlandse inlichtingendiensten hard voor werken.

Veel Nederlanders zijn bang voor aanslagen, zegt mijn psychotherapeut. Vooral in 2015-2016 was er een piek, toen grote bloedbaden in Parijs en Nice in totaal 236 mensen het leven kostten. Natuurlijk weet ik ook dat de kans dat een mens door een auto-ongeluk om het leven komt of door zelfmoord vele malen groter is dan de kans op een aanslag. Maar waarom voelt mijn angst dan nog steeds zo echt, zo groot en verstikkend?

Heftige gebeurtenissen en angst voor de dood zitten heel diep, zegt Van Ginneken. Daar kom je niet zomaar vanaf. Mensen zijn bovendien geneigd zichzelf als het middelpunt van de wereld te zien. Hij noemt zijn moeder die in een rustige buurt in Baarn woonde en de hele dag televisie keek. Ze was ervan overtuigd dat ze de straat niet meer op kon. Te gevaarlijk.

Een elektronicaverkoper in Mexico Stad kijkt naar een van zijn televisies op 11 september 2001. Foto Susana Gonzalez/Getty

Van Ginneken kijkt me aan en zoekt naar woorden: „Je leeft op de rand van twee werelden. De maatschappelijke spanning heeft zich in je samengebald.”

Tot besluit van mijn zoektocht ga ik met mijn broertje praten. Zackariya is vijftien, doet havo-3 en is dol op manga [Japanse stripboeken, red.] en hiphop. Zijn vrije tijd gaat op aan afspreken met vrienden, online en offline. Mijn broertje groeit op in een wereld waar minder gek wordt gekeken naar fluïde identiteiten. Tegelijkertijd kennen hij en zijn generatiegenoten niets anders dan een land waar islamhaat is ingeburgerd. Wie kijkt nog echt op van verkiezingsprogramma’s die de burgerrechten van moslims willen beperken?

Sommige dingen veranderen niet, zoals pesterijen op scholen. Vijftien jaar nadat ik voor „terrorist” en „dochter van Bin Laden” werd uitgemaakt, hoorde Zackariya dat hij een „zandneger” en „zandkameel” is. Maar anders dan ik, haalt hij er zijn schouders over op. „Ik was het niet echt aan het overthinken”, legt hij in typische Generatie Z-taal uit. De enkele keer dat hij zijn pestkoppen ermee confronteerde, speelden ze de vermoorde onschuld. Het was maar een grapje, hoor. „Maar is dat het nog als je zoveel opmerkingen maakt over mijn Arabische uiterlijk?”, vraagt mijn wijze broertje zich hardop af.

Anders dan ik toen ik vijftien was, schaamt mijn broertje zich niet voor zijn Arabische achtergrond. Hij hoeft zijn smartphone maar te openen of hij stapt in een wereld vol Zackariya’s. „Ik ben bezig met wat andere mensen, andere Arabische mensen om precies te zijn, meemaken”, legt hij uit.

Ik wil van hem weten wat andermans ervaringen hem hebben geleerd. Zackariya hoeft er nauwelijks over na te denken: „Dat het uiteindelijk niet boeit hoe iemand eruit ziet. Hij vervolgt: Ik heb mezelf leren accepteren. Nu ben ik trots op mijn zwarte haar, snor en huidskleur.” Zackaryia’s ogen beginnen te stralen, zijn zuinige glimlach wordt een grote grijns. „Ik hoor bij Nederland, maar ik blijf altijd Arabisch.”


Aanslagen na 9/11

Aanslagen Madrid

Dertig maanden na 9/11 ontploffen er tien bommen in vier forensentreinen in Madrid. Daarbij vallen 191 doden. Meer dan 1.800 mensen raken gewond. Onderzoek leidt naar de Iraakse tak van Al-Qaeda als opdrachtgever.

Moord op Theo van Gogh

Filmmaker Theo van Gogh wordt op klaarlichte dag vermoord door moslimfundamentalist Mohammed B. Hij bekende de moord te hebben gepleegd, om de belediging van Allah en Mohammed in de film Submission.

Aanslagen Londen

Tijdens de Londense ochtendspits ontploffen drie bommen in een metro, één in een bus. 56 mensen komen om het leven en er zijn ruim tweehonderd gewonden. De onbekende groep ‘Al-Qaida in Europa’ eist de aanslagen op en spreekt van vergelding voor Britse inmenging in de oorlog in Irak.