‘Ik voelde geen haat, ook geen liefde. Alleen onverschilligheid’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn? Deze week: Marjolein van Valderen (54), die op haar achttiende van huis wegliep en een heel ander leven kreeg.

Foto Olivier Middendorp

‘Ik kon lezen op mijn vierde maar dacht als kleuter toch dat ik dom was. Heel mijn schooltijd was ik braaf, bang en onzeker. Na de mavo deed ik een opleiding tot apothekersassistente, dat hadden mijn ouders besloten. Ik heb het niet afgemaakt, het was niets voor mij. Ga dan maar werken, zeiden ze. Moest ik moertjes bij elkaar zoeken in de fabriek waar mijn moeder werkte.

„Er hing een enorme spanning bij ons thuis. Mijn moeder was ongelukkig en las de hele dag liefdesromans van Konsalik. Mijn vader probeerde er nog iets van te maken met uitstapjes en vakanties, maar regelmatig ging er iets mis in zijn hoofd. Dan sloeg hij mij en mijn twee jaar oudere broer in elkaar.

„Mijn vader was innemend en charismatisch. Met feestjes deed hij spelletjes, ging hij frietjes en frikadellen bakken. Hij was een goede voetballer geweest en ik bleek aanleg te hebben voor atletiek. Hij ging mee naar wedstrijden, besprak tactieken met me. Maar dan triggerde iets hem weer. Een zondagochtend lag er een trui op de grond in mijn kamer. ‘Die moet je opvouwen!’ Hij trok me uit bed en sloeg me met zijn vuisten bewusteloos.

„Een keer kwam er een dokter. Hij liet me over een lijntje lopen en stuurde me door naar een neuroloog. De EEG’s waren helemaal goed. Wel was er sprake van ‘hematomen van onbekende oorsprong’, las ik later in het verslag. Daar werd niets mee gedaan. Mijn broer is een keer naar de politie gegaan. Maar mijn vader werkte bij de garage die het onderhoud van de politiewagens deed. Zij kenden hem als die toffe Kees. ‘Kom maar terug als je een gebroken arm hebt’, zeiden ze tegen mijn broer.

„Mijn broer beschermde me toen hij ouder werd, dat was prettig. Hij was alles voor mij. Hij was de baas, de redder. Dat is heel lang zo gebleven. Bijna tot zijn dood.

Poeslief waren ze in de daklozenopvang. Ik kon er niet bij: dat mensen die jou niet kennen zo lief tegen je doen

‘Toen ik achttien was vertrok mijn broer om te gaan werken in een kibboets. Hij liet me in de steek, zo voelde ik het. Ik liep van huis weg en kwam in de daklozenopvang terecht. Poeslief waren ze tegen me. Ik kon er niet bij: dat mensen die jou niet kennen zo lief tegen je doen. Op hun aanraden stopte ik met werken in de fabriek, vroeg een uitkering aan en ging op kamers. Ik schreef me in voor havo Nederlands en Engels in het volwassenenonderwijs.

„Met mijn broer ging het mis in de kibboets. Hij sliep niet en werd psychotisch. In Nederland werd hij opgenomen, later ging hij ook op kamers. Vaak belde hij midden in de nacht dat hij het niet meer zag zitten. Dan fietste ik naar hem toe om eieren te bakken. De rollen waren omgedraaid.

„Op een ochtend stonden mijn ouders voor de deur om te zeggen dat hij een eind aan zijn leven had gemaakt. Zo’n klap had ik nog nooit gehad. Hij was 23 jaar.

„Na zijn dood bood mijn school me aan in één jaar vwo te doen. ‘De docenten zeggen dat je hoogbegaafd bent’, zei de conrectrix. Ik zei: ‘Oh?’ Een jaar later had ik het vwo-papiertje op zak. Dan ook maar studeren, dacht ik. Ik koos politicologie omdat ik wilde weten hoe het zat met de verzorgingsstaat, die mij zo goed had opgevangen. De studie vond ik makkelijk. Boekje lezen, verhaaltje schrijven, meninkje hebben. Het moeilijkst was het organiseren van bijbanen want ik moest alles zelf betalen. Ik werd nanny bij twee pedagogen.

„Jarenlang heb ik voor Rijkswaterstaat gewerkt. In 2015 werd ik zo somber dat ik niet meer wilde leven. Ik liet me opnemen en kreeg elektroshocks. Toen kon ik drie maanden niet slapen. Een nieuwe psychiater redde me, met een cocktail van medicijnen waar ik rustig van word.

‘Met mijn ouders heb ik gebroken in 1997. Ik was er met Kerst, de radio stond aan, iets over kindermishandelingscijfers. Ik zei: ‘Niet zo geweldig hè, dat vader ons altijd sloeg’. Mijn moeder zei: ‘Hij heeft jou nooit geslagen’. Mijn vader zei niks. Ik heb mijn spullen gepakt en ben naar vrienden gegaan.

„In 2013 heb ik ze nog één keer gezien. Ik had een twintig-kilometerloop gedaan bij hen in de buurt, ik was vijfde geworden. Zullen we even langsgaan, zei ik tegen mijn toenmalige man. We belden aan, mijn vader deed open. Hij herkende me niet. ‘Goedemiddag’, zei hij, ‘wat kan ik voor u doen?’ Mijn moeder deed enthousiast, maar voor mij waren het vreemden. Ik voelde geen haat, ook geen liefde. Alleen onverschilligheid. Dat voelde eigenlijk wel goed.

„Nog steeds heb ik nachtmerries en herbelevingen, maar bang en onzeker ben ik niet meer. Ik heb een leuk huis in Krommenie. Ik heb vijf lieve katten waaronder twee uit Griekenland: een zonder tanden en een met drie poten. Als vrijwilliger help ik ouderen en mensen met zware depressies. Ik sport en beweeg veel en heb een relatie. En ik heb nu drie broertjes, zeg ik weleens. Drie echte vrienden. Eén is een ex van twintig jaar geleden. Als ik instort komt hij me halen, al moet hij ervoor naar de Noordpool.”

Praten over zelfdoding kan bij de landelijke hulplijn 113 Zelfmoordpreventie. Telefoon 0800-0113 of www.113.nl