Opinie

De tijd van beschaving brengen is voorbij

Internationale betrekkingen Het Amerikaanse vertrek uit Afghanistan markeert het fiasco van de liberale expansiedrift. over de ‘diepe karresporen’ van het exporteren van democratie.
Een Britse familie viert Kerst in India, ca. 1900.
Een Britse familie viert Kerst in India, ca. 1900. Beeld Rischgitz / Getty Images

‘Ons besluit om uit Afghanistan te vertrekken gaat niet alleen over Afghanistan. Het gaat over het einde van een tijdperk van militaire interventies om andere landen op te bouwen”, aldus president Biden op 31 augustus.

Of Biden het bij het rechte eind heeft, en we inderdaad het einde van een tijdperk meemaken, zal nog moeten blijken. De liberale ideologie die aan de grondslag ligt van het interventionisme en de ambitie om aan nation building en export van democratie en mensenrechten te doen, heeft immers de merkwaardige eigenschap zichzelf steeds weer her uit te vinden.

Maar vrijwel iedereen voelt aan dat we ons op een kantelpunt bevinden. Daarom is het zaak dit moment van bezinning goed te gebruiken, en terug te gaan naar waar dit allemaal begon.

De war on terror die na de aanslagen op het World Trade Center in 2001 werd ontketend, en waar de oorlog in Afghanistan het gevolg van was, heeft namelijk diepe wortels. Die liggen niet in de neoliberale jaren negentig, of in de naoorlogse democratiseringsperiode, maar nog verder terug. Het vertrek van Afghanistan markeert niet het failliet van het neoliberale paradigma van invasies en nation building, maar het fiasco van de liberale expansiedrift, van de liberale moderniteit als zodanig. En wel zoals dat vanaf het begin van de negentiende eeuw werd gelanceerd, na de intellectuele en politieke aardverschuivingen die de Verlichting, de Franse Revolutie en Napoleon teweegbrachten.

Met toenemende afstand tot het einde van de Koude Oorlog zien we dat niet 1989, of 1945 of 1918 per se een cesuur vormen, maar dat de ‘diepe karresporen van de geschiedenis’ (Maarten Brands) waarin we voortploegen misschien wel meer rond die tijd van de ‘Age of Revolutions’ zijn gevormd.

‘Liberal empire’

Over welk denksysteem of ideologie hebben we het dan? Ons gaat het hier om het idee van ‘liberal empire’, of beter nog, ‘moral empire’. Waar een grote mogendheid elders op de wereld zijn rijk uitbreidde of een kolonie stichtte, werd de legitimiteit van die expansiedrift mede bepaald door de mate van ‘vooruitgang’ en ‘verheffing’ van het gebied dat in het imperium werd ingelijfd of dat door de kolonisator werd bestuurd. Dit idee is onlosmakelijk verbonden met de Verlichting en de idealen van de Amerikaanse en Franse revoluties, met ‘happiness’, met vrijheid en gelijkheid en met goed bestuur.

Nu werd de notie van een ‘moral empire’ deels ook nog door de oude orde omarmd. Zo vond een conservatief denker als Edmund Burke het vanzelfsprekend dat Engeland via de East India Company zijn gezag in India uitbreidde – mits dat niet alleen vanwege economische belangen gebeurde, maar ook om de welvaart en het welzijn van de inheemse bewoners te vergroten. ‘Good government’ en ‘improvement’ waren ook voor Burke morele imperatieven.

De imperialisten van de late achttiende eeuw waren nog relatief (!) terughoudend in hun expansiedrift. Ze schrokken terug voor te veel territoriale verovering, dat zou immers alleen maar tot meer conflicten leiden, en de handelsbelangen schaden. Tijdens de Franse Revolutie kreeg de wereld een vooruitblik op wat zou gaan komen. „Tien miljoen Fransen, aangewakkerd door het vuur van de vrijheid, gewapend met het zwaard, de rede, de welbespraaktheid, zouden […] het aangezicht van de wereld kunnen veranderen en de tirannen doen beven op hun tronen”, klonk het in het Franse parlement in 1791, nog voordat de oorlog met de buitenlandse vorsten daadwerkelijk uitbrak. Nation building was geboren.

Radicalen en liberalen op het pluche

Wat begon in 1789 in Parijs, leek beëindigd in Wenen vijfentwintig jaar later. Met de zogenoemde Restauratie, overeengekomen op het Congres van Wenen in 1815, was ook de uitbundige expansiedrift en missiezin weer even bekoeld. Maar nadat de vorsten en prinsen in de loop van de negentiende eeuw aan de kant werden gezet door de opkomende burgerij, geraakte het liberale imperialisme in een stroomversnelling en werd de terughoudendheid afgelegd. En dat is meteen ons belangrijkste punt. Het waren niet zozeer de reactionairen, de conservatieven, de adellijke hoge heren die de expansiedrift opstuwden en met morele idealen omkleedden. Het was de burgerij, het waren dezelfde radicalen en liberalen die in Europa in 1830 en in 1848 op de barricades klommen voor meer vrijheid en gelijkheid, die vervolgens, nadat zij in diverse hoofdsteden op het pluche waren beland, pas echt werk maakten van inlijving van de wereld in hun modern-kapitalistische systeem.

Het waren de journalisten die in de vrije pers in Engeland, Nederland en België en later ook in Duitsland en de Verenigde Staten opriepen tot verdere ontginning. Het waren de missieorganisaties die en masse zendelingen naar de nieuwe gebieden verscheepten. Het waren de burgerlijke investeerders die massaal in spoorlijnen, mijnen, plantages en stoommaatschappijen belegden en zo de ‘scramble for Africa’ (de opdeling van het Afrikaanse continent) faciliteerden en aandreven, evenals de verdere kolonisering van Zuid- en Zuidoost-Azië en ja, ook toen reeds oorlogen om Afghanistan. Het waren de bevolkingen die opriepen tot meer expansie en daadkracht. Er ontstond kortom een opvallende incongruentie tussen het liberale project van de moderniteit in Europa enerzijds, en de uitwerking ervan in de onderwerping en het bruut geweld van invasies in de koloniën anderzijds. Uiteraard alles onder het motto van de ‘white man’s burden’: het idee dat niet-westerse volkeren beschaving bijgebracht moest worden.

‘Perennial march’ in Afghanistan

Vanzelfsprekend was er gedurende de afgelopen twee eeuwen doorlopend kritiek op de schizofrenie van het ‘liberal empire’. Dat leek zo universeel, maar was uiteindelijk doordrenkt van superioriteitsdenken, dat in de loop van de negentiende eeuw ook steeds meer akelige, raciale trekken kreeg. Een oude conservatief zoals de hertog van Wellington (1769-1852), militair en politicus, was dan nog terughoudender, en waarschuwde in de nadagen van zijn loopbaan al diverse malen voor hysterische projecten, zoals een invasie in Afghanistan. Dat was domweg „stupid”, en zou tot een „perennial march” in dat land leiden, en niets opleveren. Ook vanuit de imperiale periferie zelf kwam een aanzwellende storm van protest van antikoloniale denkers op gang die de hypocrisie van het Europese beschavingsdiscours op de korrel namen, wat uitliep op dekolonisatiecampagnes na de Eerste en Tweede Wereldoorlog.

Maar juist het liberale optimisme, het Wilsoniaanse idealisme, en daarna de Koude Oorlog, zetten het liberalisme in een turbostand. Door de confrontatie met de Sovjet-Unie, die de radicale gelijkheid van de Verlichting overnam, werd het aantal projecten van ‘bevrijding’, ‘democratisering’ en ‘nation building’ verder opgevoerd. Opnieuw waren het de media, de burgerij, de liberale elites die vonden dat er iets gedaan moest worden met ‘onze waarden’.

Geen enkele counterinsurgency operatie in de twintigste en eenentwintigste eeuw, het bestrijden van opstandelingen in andere landen, werd simpelweg gemotiveerd met: ‘snel wat terroristische leiders vangen en dan maken dat we wegkomen’. Sterker nog, de opkomst van internationale mensenrechtenjuristen en -activisten heeft het hele normatieve en idealistische discours van ‘misdaden tegen de menselijkheid’ waarbij de internationale gemeenschap niet afzijdig mag blijven, alleen maar verder gecementeerd. Zodanig, dat nu vrijwel geen krant, talkshow of politiek leider in het liberale democratische Westen nog durft te zeggen wat een Wellington zei: laat ze met rust, het heeft geen zin, mensenrechtenparagrafen zijn geen substituut voor gematigde Realpolitik.

Lees ook dit essay: Kruisridders van het universalisme: Afghanistan moest worden zoals wij

Gevraagd: Realiteitszin

Willen wij dan helemaal af van idealen en moraliteit in de internationale betrekkingen? Nee, allerminst. Maar als historici wijzen wij erop dat de wereld geen normatief bubbelbad is, warm gehouden door morele idealen en steeds weer nieuwe internationaalrechtelijke paragrafen en resoluties. De golven van geweld en regionale conflicten moeten begrepen worden vanuit de plaatselijke, ingewikkelde historische werkelijkheid, niet vanuit onze ethische imperatieven alléén.

Kortom, het failliet van de war on terror en de oorlog in Afghanistan is niet puur en alleen aan tactische fouten, aan de VS, of aan het neoliberalisme van de laatste decennia te wijten. We moeten allereerst erkennen dat onze burgerlijke sentimenten – ‘niets doen is geen optie’, ‘bombardeer Assad’ – hele diepe wortels hebben. En dat dit impliciete liberaal-imperialisme, dat morele en sentimentele vooruitgangsgeloof annex superioriteitsdenken na tweehonderd jaar aan een revisie toe is. Misschien wordt het tijd terug te gaan naar een beperkte, bescheidener, maar meer verantwoordelijke opvatting over de internationale betrekkingen die het Congres van Europa, de machtsbalans na 1815 waarin geen land mocht domineren, schraagde.

Geen burgerlijk, kapitalistisch aangedreven expansief liberalisme meer, maar noblesse oblige. Gematigdheid en realiteitszin. Het is al moeilijk genoeg onze eigen democratieën een beetje liberaal te houden.