De nominaties tonen inhaalslag bij Toneelprijzen

Jaarlijks prijzenfestijn De nominaties voor de VSCD Toneelprijzen, die dit weekend worden uitgereikt, geven een goede indruk van de grote verscheidenheid aan acteerstijlen.

Lotte Dunselman, genomineerd voor een Theo d’Or, in De Poolse Bruid.
Lotte Dunselman, genomineerd voor een Theo d’Or, in De Poolse Bruid. Foto Polle B. Willemsen

Komend weekend worden op het Toneelgala van het Nederlands Theater Festival weer de VSCD Toneelprijzen uitgereikt, voor onder andere ‘beste acteur en actrice’ (Louis en Theo d’Or), en voor ‘beste bijrollen’ (Arlecchino en Colombina). Er is van alles bijzonder aan de nominaties van dit jaar: ze beslaan twee seizoenen (beide geamputeerd door theatersluitingen), er zijn vier acteurs uit één voorstelling samen genomineerd, twee actrices die om en om een rol speelden maken beiden kans en er zijn ongebruikelijk veel nominaties (21 acteurs en actrices). Bovenal valt het op dat de genomineerden zo’n breed scala aan speelstijlen vertegenwoordigen.

Op dat laatste punt maakt de jury een inhaalslag, want die theatrale diversiteit is al jaren prominent zichtbaar, maar drong onvoldoende door tot de Toneelprijzen. Afgaande op de laureaten leek goed acteren grosso modo synoniem te zijn met psychologisch-realistisch spel, zoals dat te vinden is in teksttoneel.

Lees ook: Toneeljury nomineert royaal: 21 acteurs en actrices maken kans op Toneelprijs

Nu is de vraag wat goed acteren is, ontegenzeggelijk een helse kwestie. Regisseurs, acteurs en professionele kijkers (critici) slagen er evenmin in tot een eenduidig antwoord te komen. Hans Croiset, nestor van het gilde, gaf een paar jaar geleden in NRC een antwoord dat in zijn bondigheid een handvat biedt: „Weet wat je zegt. Als je dat weet, kan je verder niks verkeerd doen.” Maar Croiset (Louis d’Or 1980, 2017) voegde er in één adem aan toe: „Er is niet één manier.” Zijn eerste reactie was dan ook, na een diepe zucht: „Ik wou dat ik het wist, dan kon ik het iedere avond toepassen. En dan zou ik andere mensen helpen. Je moet een persoonlijkheid zijn. Je moet iemand zijn die zich tentoon durft te stellen op het toneel.”

Theatrale diversiteit is al jaren zichtbaar, maar drong niet genoeg door tot Toneelprijzen

Als het gaat over acteren, gaat het al gauw over geloofwaardigheid. Maar dat is veelal een verschuiving van het probleem, want wat is geloofwaardig? Acteren is een ambacht en een kwestie van techniek, van het vormgeven van je eigen emoties, zoals Marieke Heebink zei in NRC. Heebink (Theo d’Or 1999, 2015) excelleert in emotionele rollen: „Je kan grote emoties alleen spelen als je controle hebt. Ik weet exact wat ik wanneer moet doen om het grootste effect te sorteren. De toeschouwer ervaart mijn emoties omdat ik niet een bulk van gevoelens over hem uitstort. Ik doseer, neem terug, pauzeer.”

Acteurs zijn de supergeleiders van die conflicterende, menselijke emoties: woede, verdriet, jaloezie, liefde. En wij, het publiek, willen dat ons gemoedsleven ‘schoongewassen’ wordt (in de woorden van Aristoteles) door het meebeleven van de lotgevallen van de personages, wij willen die catharsis. Theatertoeschouwers zijn gelukszoekers. Die loutering, op gang gebracht door grote emoties, kan de acteur ook overbrengen door klein spel. In het theater is onderkoeld, ingehouden, filmisch acteren een grote factor geworden, dankzij zendmicrofoons en kleine zalen met een vlakke vloer.

Bram Coopmans als Tom Pain van Het Nationale Theater, genomineerd voor een Louis d’Or.

Foto Joris Smit

Het grote verschil met tv en film is dat de theateracteur acteert met zijn hele fysiek. Hij krijgt nooit een close-up. Bij dat lichaam begint het bij veel acteurs. Zie de nominatie van René van ’t Hof (in Eindspel) voor een Louis d’Or, die elke mogelijke emotie uitdrukt met zijn motoriek en zijn uiterst precieze gebaren. De tragiek en humor van zijn gehannes als Clov wortelen in het stille spel van de slapstick. Van ’t Hof weet als geen ander pijn en verlichting te mengen.

Fysiek spel

Het puur fysieke spel van Van ’t Hof is een categorie op zich. Maar die aandacht voor wat het lichaam uitdrukt, is ook te vinden in het samenspel van het viertal Felix Schellekens, Romijn Scholten, Victor IJdens en Jesse Mensah (gezamenlijke nominatie Louis d’Or voor Weg met Eddy Bellegueule). Alle vier spelen ze de jonge Eddy, maar ook zijn moeder, vader, broer, vriendjes en vriendinnetjes, in vaak snelle typeringen en herkenbare gebaren. Wat daarbij in het oog springt, is de muzikaliteit van het spel: zoals bijna altijd bij regisseur Eline Arbo begeleiden de acteurs zichzelf met zang en instrumenten, en volgt hun fysieke acteerwerk en tekstbehandeling het ritme van de voorstelling.

Fysiek spel is al even belangrijk in de rol van Daniël Kolf (nominatie Arlecchino, in QUAKE). In zijn performance vertaalt Kolf discussies rond identiteit en uitsluiting naar spel dat het midden houdt tussen dans en teksttoneel, waarbij de frustraties en revolutionaire drang van zijn personage van iedere blik, beweging en monoloog afspatten.

Ook Naomi Velissariou (nominatie Theo d’Or) is in Pain against fear, het derde deel van haar Permanent Destruction-drieluik, zo’n performer, die de grenzen verkent tussen zichzelf, acteur en popicoon. Als performer speelt ze geen personage maar een versie van zichzelf, waarbij ‘authenticiteit’ centraal staat: met de opdracht om recht te doen aan wat er tussen de performer en het publiek ontstaat.

Marie-Louise Stheins, genomineerd voor een Theo d’Or, voor haar rol in Skylight.

Foto Sanne Peper

Doorbreken code

Door contact met het publiek legt de performer een directe relatie met het publiek. Die doorbreking van de code dat het publiek accepteert dat acteurs doen alsof, is een onderscheidend kenmerk van veel modern theater, met name van een groot aantal collectieven, van Discordia tot en met De Warme Winkel en Wunderbaum. Die theateropvatting, waarbij de illusie van echtheid wordt doorbroken, gaat veelal gepaard met een dubbelzinnige, ironische dan wel anderszins gelaagde vorm van meta-acteren. Louis van der Waal (in Rijgen), voor een Arlecchino genomineerd, is daar bij uitstek een exponent van. Van der Waal behoort tot de vaste kern acteurs rond regisseur Sarah Moermans, bij wie theater ook altijd commentaar op theater is. En acteren dus ook altijd commentaar op acteren.

Die spelopvatting levert verrukkelijke voorstellingen op, maar te weinig prijzen voor de betrokken acteurs. De Colombina voor Maureen Teeuwen (in 2018) is een uitzondering die de regel bevestigt. De nominatie van Van der Waal is – behalve een terechte erkenning van zijn komisch talent – een goed teken.

„Er zijn net zoveel soorten acteurs als er acteurs zijn”, stelde Hans Croiset ooit. Want kijk je naar het psychologisch-realistisch acteren, dan zie je evengoed een spectrum aan nuances. Prachtig was de onstuimige wanhoop in het spel van Marie-Louise Stheins (genomineerd voor een Theo d’Or, voor Skylight), die zich helemaal onderdompelt in een rol (en zo in 2000 een Theo d’Or won). Stheins acteert zonder terughoudendheid, groot, maar die openlijke emotionaliteit paste bij het grote verdriet van de verlaten vrouw die ze speelde.

Verscheidenheid

Klassiek geserreerd psychologisch spel was te vinden in andere Louis d’Or-nominaties: Emmanuel Ohene Boafo (in Sea Wall) en Bram Coopmans (in Tom Pain), met een minimalisme dat mede afgedwongen werd door hun monologen. Hans Kesting (in Wie heeft mijn vader vermoord) hanteerde een vergelijkbare stijl in zijn solo, maar afgewisseld met fysiek uitgesprokener en doorleefder spel.

Dezelfde variatie brachten Jade Olieberg en Charlie Dagelet (genomineerd voor een Theo d’Or, los van elkaar, voor dezelfde rol in Laura H.), die een ongrijpbaar personage vol tegenstrijdigheden spelen, dat ook nog eens van kind vrouw wordt en geheel van aard verandert. Al die schakelingen en registers laten Olieberg en Dagelet zien. „Olieberg speelt haar brutaal, naïef, gekwetst, zorgzaam, ronduit dom”, schreef NRC. Dagelet deed dat verfijnd en expressief. Hetzelfde geldt voor Lotte Dunselman (genomineerd voor de Theo d’Or, voor De Poolse bruid), die als Poolse die de taal niet spreekt aanvankelijk een aardse, lichamelijke communicatie hanteert en zowel angst als levenslust etaleert.

De klus om winnaars te kiezen uit al die variëteiten en smaken wordt er niet makkelijker op. Maar het is positief dat de nominaties voor de Toneelprijzen een completer beeld geven van de verscheidenheid van opvattingen in het theater.