Opinie

Mijn vader lachte weinig, daar was ook weinig aanleiding voor

Marcel van Roosmalen

Bij het radiohuis op het Mediapark werd ik staande gehouden door een student aan een van de omroepuniversiteiten, ze noemen zichzelf overigens geen student maar talent. Hij vroeg, microfoon in de aanslag, of mijn vader humor had. Hij sprak voor de zekerheid in de verleden tijd en stelde de vraag aan meer voorbijgangers, de antwoorden werden wellicht een keer ’s nachts uitgezonden in een speciaal programma van talenten. Met andere woorden: ik kon vrijuit spreken, hier kraaide verder geen haan naar.

„De humor kwam bij ons in dunne plakjes”, zei ik.

Het talent vond het een mooi antwoord.

„Daar kan ik wel wat mee.”

Mijn vader lachte weinig, daar was ook weinig aanleiding voor. Een negen-tot-vijf-leven maal veertig jaar, drie kinderen, een keer per jaar op vakantie. Vergaderen, rapporten schrijven, af en toe een pluim tijdens het functioneringsgesprek. Een kamer delen met een collega die je niet mag. Hij zei ooit: „Uit de begintijd van kantoor herinner ik me nog wel specifieke momenten van vergaderingen, daarna werd het stroop.”

Stroop, mooi gezegd.

De ijzeren regelmaat plakte aan hem vast.

De humor stond bij ons op een videoband, waar hij veel werk in stopte. Je moest weten wanneer er iets grappigs op televisie was en dan op tijd op ‘rec’ drukken. In de praktijk kwam het vaak neer op wachten op de herhaling van iets leuks, en heel veel wissen wat in eerste instantie ten onrechte voor leuk werd aangezien.

Op zondagavond ging hij er soms voor zitten. Bakje borrelnootjes, een kop koffie. Ik herinner me: een paar liedjes van Hans Dorrestijn, die spoelde hij soms door. Fawlty Towers, aflevering ‘The rat’. Maar vooral een scène van Waardenberg en De Jong, waarin Martin Waardenberg Wilfried de Jong leert behangen.

Het lachen begon bij een dreigende Waardenberg: „Noem je dat pappen?!”

Tranen over zijn wangen, steeds weer opnieuw.

We wisten: hij was die behanger.

Minimaal vijftig keer samen gekeken.

Dan kreunend opstaan uit zijn stoel, mok naar de keuken brengen, videoband terug in de kartonnen hoes, de televisie uitzetten en zeggen: „Zo genoeg gelachen, morgen begint de werkweek weer.”

Ik heb het nooit herkend als humor, maar achteraf denk ik dat hij het leuk vond om telkens dezelfde zin tegen me te zeggen. Alsof hij heel langzaam een Peter van Straaten-tekening voor me maakte. Ik zag hem gisteren voor het eerst.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.