Opinie

Ontmantelen

Ellen Deckwitz

Dit weekend stoof de zus door het huis. Ze was het parelarmbandje kwijt dat ooit van onze grootmoeder was geweest, een kleinood dat in de oorlog van kamp naar kamp was gesmokkeld, dat mee was gegaan op de boot naar Nederland, dat jarenlang haar enige kostbare bezit was.

„Het is toch geeneens zilver?”, zei de oudste neef (15), terwijl de zus met een zaklamp tussen de tanden onder de bank keek. „Parels zijn toch best goedkoop, waarom haal je niet gewoon een nieuwe?”

De zus barstte uit in een tirade die niet helemaal goed te verstaan was omdat haar mond licht gaf, maar waaruit wel viel af te leiden dat sommige dingen nou eenmaal onvervangbaar zijn.

De neef snapte er niets van. Ik zuchtte. Vroeger gingen pannen, kleren en meubilair decennialang mee. Juwelen werden van generatie op generatie doorgegeven, tot je niet meer een sieraad om je hals droeg, maar een museumstuk. Door langdurig gebruik ging er betekenis kleven aan de voorwerpen, werden het ankerpunten voor identiteit, hechtte je eraan. Dat is in de huidige wegwerpmaatschappij natuurlijk wel anders.

Na een middag lang het hele huis overhoop te hebben gehaald, rustte de zus even uit in de tuin.

„Misschien komt hij tijdens een verhuizing wel weer naar boven”, zeg ik tegen beter weten in.

„Hij rook nog naar oma”, zei ze. „Parels absorberen luchtjes, dat vind ik er nou juist zo leuk aan. Volgens mij was hij daarvoor ook nog van haar moeder geweest, onze overgrootopoe, dus háár parfum hing er waarschijnlijk ook nog een beetje aan. Als dat ding kwijt is, zijn we de laatste restjes van hun geur kwijt. Dan zijn ze nog meer verdwenen dan ze al waren, is Indië nog verder weg.”

‘Nou ja, we hebben de foto’s nog”, probeerde ik nog, maar de zus onderbrak me meteen. „Oma zei altijd dat die armband haar herinnerde aan haar leven voor de oorlog. Toen alles nog goed was. Toen het bestaan nog fijn was. Het verbond haar met de wereld van haar jeugd.”

En daarna veerde ze weer op, klaar voor een tweede inspectieronde. Lades werden uit kasten getild, meubels verplaatst en toen dat niets opleverde, begon ze, ondanks mijn protesten, het tapijt in de woonkamer los te trekken, in de hoop dat de armband dan daaronder lag. Stil keek ik toe hoe de lijm losliet, hoe er gewapend beton tevoorschijn kwam, hoe ze in een poging om andermans jeugd terug te krijgen, stukje bij beetje haar eigen thuis ontmantelde.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.