Monteurs, koks, schoonmakers. Voor het evacueren van lokale medewerkers is nog niets geregeld

Evacuatiebeleid De rommelige aftocht uit Afghanistan legt bloot dat Nederland geen beleid heeft voor evacuatie van lokale burgers die voor missies werken. Moet dat voortaan anders?

Het eerste vliegtuig met evacués uit Afghanistan dat vorige maand landde op Schiphol.
Het eerste vliegtuig met evacués uit Afghanistan dat vorige maand landde op Schiphol. Foto Robin van Lonkhuijsen

Bij de bouw en het beheer van een militair basiskamp in een missieland kunnen militairen niet zonder de diensten van lokale burgers: aannemers, koks, chauffeurs, magazijnbedienden, administrateurs, onderhoudsmonteurs, tolken... „Mensen voor brandstoftransport, beveiliging en schoonmaak. We werken altijd met local contractors”, zegt Tom Middendorp, die als commandant der strijdkrachten (2012-2017) militair verantwoordelijk was voor Nederlandse missies in onder meer Afghanistan, Irak en Mali. „Als de werkzaamheden klaar zijn of de missie ophoudt, scheiden de wegen zich weer.”

De aftocht uit Afghanistan, waarover de Tweede Kamer binnenkort verder debatteert, is volgens Middendorp dan ook anders dan anders. In 2019 was al besloten dat Afghaanse tolken asiel zouden krijgen. Na de val van Kabul is Nederland na een motie van de Kamer ook andere Afghaanse oud-medewerkers en hun familieleden gaan evacueren, omdat hun levens in gevaar zouden zijn. „Evacuaties richten zich altijd op Nederlanders in een land”, zegt Middendorp. „Dat we nu mensen evacueren met wie we samenwerkten, is echt nieuw.”

Een nieuw thema is het niet, vindt militair historicus Christ Klep, die er zestig jaar voor teruggaat in de tijd: „Veel Nederlandse veteranen zien het overhaaste vertrek uit Nieuw-Guinea begin jaren zestig nog steeds als verraad tegenover de Papoea’s, die we allerlei beloften hadden gedaan en vervolgens in de steek lieten.” En dat lokale medewerkers gevaar kunnen lopen is volgens hem indringend gebleken in Srebrenica, waar in 1995 verschillende Bosnische medewerkers door Dutchbat werden overgeleverd aan de troepen van generaal Mladic en vervolgens werden vermoord.

Lees hier over de parallellen tussen de aftocht uit Kaboel en die uit Srebrenica

Niets geregeld

Desondanks heeft Nederland nooit iets geregeld voor burgers die in conflictgebieden werken voor militaire en civiele missies. Zo toont ook de geïmproviseerde Afghanistan-exit weer, waar dinsdag een feitenrelaas van het ministerie van Buitenlandse Zaken over naar buiten kwam.

Er is niets voor hen geregeld in de zogeheten artikel 100-brieven, waarmee het kabinet de Kamer gedetailleerd informeert over de militaire missies – van genderprogramma’s voor burgers tot medische zorg voor militairen. En niets in wat je het Nederlandse missiehandboek zou kunnen noemen, het toetsingskader voor militaire operaties waarmee Kamerleden de missies beoordelen.

„Dat is een lacune”, vindt Bram van Ojik, voormalig Kamerlid voor GroenLinks. Na een motie van hem nam de regering in 2014 wel de bescherming van burgers in een oorlogsgebied op in het handboek. „Sindsdien staat in het toetsingskader dat de bedreiging van de veiligheid van burgers in een land een reden kan zijn om te interveniëren. Maar eerlijk gezegd had ik destijds niet in mijn hoofd dat je apart iets moet regelen voor burgers die voor jou hebben gewerkt.”

De passage over de bescherming van burgers is niettemin een mijlpaal, vindt Pieter Feith, lid van de Adviesraad Internationale Vraagstukken, die regering en parlement adviseert. „In het eerste decennium van deze eeuw was bij de VN de responsibility to protect een groot thema; het idee dat wij indien nodig door te interveniëren burgers moeten beschermen”, vertelt Feith, een veteraan in het diplomatieke circuit. „Dat idee heeft het destijds niet gehaald in de Veiligheidsraad en is daarna weggeëbd.” Dat laatste kwam ook door Libië, waar het westen om humanitaire redenen dictator Moammar Gaddafi verdreef en zo het land in een slepende burgeroorlog stortte.

Volgende stap

Toch pleitte Feith in 2011 – met anderen – er in een evaluatie van de Nederlandse missie in Uruzgan voor om bij uitzendingen de belangen van de burgerbevolking mee te wegen. Het rapport wekte weinig parlementaire belangstelling. Feith: „Alleen de voorzitster van de vaste Kamercommissie kwam opdagen en die moest na een kwartier weg.” Wel droeg het rapport via het lobbywerk van onder meer vredesorganisatie PAX bij aan de latere opname van de burgerbescherming in het toetsingskader. „Nu kan de Kamer een volgende stap zetten”, denkt Feith, „door in het kader een regeling op te nemen voor mensen die we ingehuurd hebben.” Daarin staat dan bijvoorbeeld dat oud-medewerkers in geval van nood geëvacueerd zullen worden.

Zo’n regeling is niet meer dan logisch, vindt Jan Gruiters, voormalig PAX-directeur, die net als Feith als expert betrokken was bij de evaluatie van de Uruzgan-missie: „Het is evident dat de Nederlandse regering moet instaan voor de veiligheid van mensen met wie wij werken, ook na afloop van de missie. Net zoals werkgevers zorgplicht hebben voor hun werknemers”, vindt Gruiters. Hij wijst erop dat de Hoge Raad in 2013 de Nederlandse staat aansprakelijk stelde voor de dood van drie moslimmannen die in Srebrenica diensten hadden verleend voor de Dutchbat-missie, maar niet geëvacueerd werden. „Het is humaan en moreel noodzakelijk om dit van tevoren te regelen en burgers in een missiegebied vooraf duidelijk te maken wat ze kunnen verwachten als ze bijvoorbeeld voor ons gaan tolken.”

Die morele verplichting is voor oud-militair Middendorp niet zo vanzelfsprekend: „Er wordt steeds gesproken over ‘mensen die ons hebben geholpen’, maar wij hebben hen natuurlijk ook geholpen. De local contractors hebben ervoor gekozen om met ons te werken, om zichzelf, hun familie of hun land te helpen.” Een zorgplicht voor hen zou volgens Middendorp ook consequenties hebben voor de uitvoering van de missies. „Als je bij alle missies alle contractors moet evacueren in geval van nood, dan stelt dat wel extra eisen die nu nog niet standaard in de missieplannen zitten.”

Die eisen zijn ook niet makkelijk op papier te zetten, denkt defensiespecialist Dick Zandee, onderzoeker bij Instituut Clingendael: „Waar trek je de grens tussen wie je wel en niet evacueert? Tolken vormen een heldere categorie medewerkers; zij worden standaard ingehuurd bij een missie. Maar andere categorieën zijn lastiger. Moeten mensen bij de militaire operatie zitten of vallen koks en schoonmakers er ook onder?”

Missie verkopen

Dat soort vragen kun je dan maar het beste vooraf beantwoorden, zegt Bram van Ojik, die wel wat ziet in een aanpassing van het toetsingskader voor de beoordeling van nieuwe missies door de Kamer: „Hebben we de bescherming van de chauffeurs op orde. Nemen we ze mee? Hebben ze recht op asiel? Hoe eerder je daarover discussieert, hoe groter de kans is dat je dit rechtvaardig kunt doen. Nu heeft dit probleem met Afghanistan ons overvallen, zoals het ons heeft overvallen in Srebrenica. Om dit voor te zijn, moet je er eerder over praten.”

Dat vooraf bespreken ziet historicus Christ Klep niet zo snel gebeuren. „Als een kabinet een missie verkoopt aan de Kamer schetst het altijd een beeld dat de burgers er in een land op vooruitgaan. Je wilt niet vooraf al zeggen dat de missie kan mislukken en je misschien burgers moet evacueren. Dat is een politieke paradox. Een andere paradox is dat je een groep mensen een bevoorrechte positie geeft – mensen die je eventueel meeneemt – terwijl je daar komt om de situatie voor iedereen te verbeteren.”

Die paradoxen zijn wel te doorbreken, denkt Van Ojik. „Bij missies staat de veiligheid van onze militairen altijd voorop, zoals in het geval van medische noodsituaties. In het verlengde daarvan kun je ook kijken naar de bescherming van degenen die hebben geholpen.”