Recensie

Recensie Film

Italiaanse meesters konden vrijelijk hun talent botvieren

Film by the Sea | Italiaanse films Het Zeeuwse filmfestival Film by the Sea brengt de bloeitijd van de Italiaanse cinema in beeld met documentaires rond grootheden als Fellini en Visconti, en producenten die minder bekend waren maar even interessant.

Foto’s bovenin van links naar rechts: Death in Venice, The Truth About La Dolce Vita, Piero Vivarelli: Life as a B-Movie, The Rossellinis, Fellinopolis.
Foto’s bovenin van links naar rechts: Death in Venice, The Truth About La Dolce Vita, Piero Vivarelli: Life as a B-Movie, The Rossellinis, Fellinopolis. Foto’s Film By The Sea

Björn Andrésen was een mooi jongetje. Daar had hij geen last van, tot hij als 15-jarige het brandpunt werd van een van dé klassiekers van de Italiaanse cinema: Death in Venice (1971) van Luchino Visconti. Wat dat voor hem betekende haalt de documentaire The Most Beautiful Boy in the World op. De Italiaanse filmwereld bewierookte, gebruikte en dankte hem af, de jetset exploiteerde hem als toy boy. Nu wankelt hij rond als de echo van dat verleden.

Film by the Sea presenteert het snerpende The Most Beautiful Boy en omlijst de film met vier documentaires over de bloeitijd van de Italiaanse cinema. Samen accentueren ze dat de filmwereld slachtoffers maakt.

Maar er is meer. Natuurlijk is er meer.

Lees meer over de documentaire ‘The Most Beautiful Boy in the World’ en Björn Andrésen

Zo is The Truth about La Dolce Vita óók een film over de beroemdste Italiaanse film aller tijden, waarmee Federico Fellini (1920-1993) zijn genie etaleerde. Ik houd van iedere snipper informatie over dit wonder, en deze bak snippers is welbesteed. Alle ooggetuigen die passeren hebben iets geweldigs te vertellen, of je ze gelooft of niet. Er klinken krankzinnige verhalen en idiote anekdotes. Mastroianni? Die kreeg, vertelt hij, de hoofdrol omdat Fellini op zoek was naar een faccia qualsiasi, een onopvallend gezicht, „en dat had ik”. Onderwerp van de film zijn een budget dat tomeloos opliep, en een megalomane regisseur die zijn gang ging en zich incommunicado hield. Hoofdpersoon is het willige slachtoffer van deze maalstroom: de producent Giuseppe Amato (1899-1964). Hij was ieders kop-van-jut, verkeerde meer en meer in een soort existentiële angst en volgens zijn dochter stierf hij aan een gebroken hart door de stress. Die stress hebben wij niet, wij weten hoe het afliep: Amato had het goed gezien. La dolce vita werd inderdaad dé film – die zonder Federico Fellini niet had bestaan, je zou het bij deze film bijna vergeten.

Beeld uit ‘The Truth about La Dolce Vita’. Foto Film by the Sea

Dat wordt rechtgebreid met de andere Fellinidocumentaire in het programma: Fellinopolis. Daar hoor je de verleiding van zijn onvermoed lichte stem. Daar zie je hem aan het werk, genietend van zijn eigen ongebreidelde fantasie in het legendarische Romeinse studiocomplex Cinecittà. Daar voelt het intiem als een grote familie, met hem als het jongste broertje waar iedereen graag op past. We zien hoe men voor hem vliegt, hoe hij ginnegappend een massa rumoerige figuranten charmeert. De componist Piovani vergelijkt hem met een kind dat met treintjes speelt. Met sneltreintjes, zou ik willen preciseren.

Fellinopolis beslaat zijn latere films, gemaakt tussen 1978 en 1983 toen hij niet meer in de mode was: Prova d’orchestra, La città delle donne, E la nave va, Ginger e Fred. Minder bekend, minder bemind. Maar bekijk ze en je ziet: ze komen voort uit dezelfde speelse geest als zijn evergreen La dolce vita. Rijper en wijzer zijn ze, niet gedempter of braver. Helemaal niet.

Beeld uit ‘Fellinopolis’. Foto Film by the Sea

Lijnrecht tegenover Fellini, in dezelfde Italiaanse filmindustrie, opereerde Pietro Vivarelli. Ooit van hem gehoord? Ik niet. Maar wat is dit een leuke film, probeer hem vooral te zien: Pietro Vivarelli, Life as a B-Movie. De documentaire portretteert de roerige carrière van deze filmproducent, via het ene smakelijke fragment na het andere. Hij begon met wegwerp-rock-’n-rollfilms, met titels als Ragazzi del Juke-Box (1959). Hij was zowel charlatan als vakman, maakte zooi en serieuze politieke films, bediende de Italiaanse underground met films in het genre ‘erotico-exotico’. Hij dreef een nachtclub waar ‘iedereen die iemand was’ kwam, organiseerde met pure bluf een megaconcert van Led Zeppelin. Het Italiaanse entertainment was zijn Wonderland.

Beeld uit ‘Pietro Vivarelli, Life as a B-Movie’. Foto Film by the Sea

Vreemde eend in de bijt is The Rossellinis, gemaakt door Alessandro Rossellini, kleinzoon uit het meest desastreuze van de vier huwelijken van Roberto Rossellini. Diens meesterwerk Rome Open Stad (1945) verschafte hem direct na de Tweede Wereldoorlog wereldfaam. Die faam werd in 1950 gerenoveerd door zijn verhouding met filmster Ingrid Bergman. Haar imago van ideale schoondochter brak haar op, ze werd afgefakkeld als veile vrouw. Hij veel minder als veile man. (Zoals dat ging, nu ja, zoals dat gaat.) Stamvader Roberto kon, gedekt door zijn talent en zijn reputatie, een potje maken van zijn privéleven, met een gordiaanse knoop aan nukkige nazaten als gevolg. Isabella Rossellini is de beroemdste en de vredestichtster, haar dwarsliggende tweelingzus is de interessantste – en deze documentaire is een soort familietherapie.

Beeld uit ‘The Rossellinis’. Foto Film by the Sea

Tel de vijf films bij elkaar op en je ziet: de Italiaanse cinema gedijde tussen de jaren 50 en 70 als een waanzinnige bij de strikte verscheidenheid waarin grootmeesters vrijelijk hun talent konden botvieren: Visconti, Fellini, Rossellini. En Vivarelli, die ook. We missen in dit boeket de linkse hoek die Pier Paolo Pasolini uitdeelde. Vergeet hem niet, hij was cruciaal.