Reportage

De Hindostaans-Surinaamse gemeenschap is weinig zichtbaar in Nederland: ‘We moeten harder durven roepen’

Hindostanen in Den Haag In Den Haag wonen naar schatting 45.000 mensen met Hindostaans-Surinaamse wortels. Portret van een ‘onzichtbare’ gemeenschap, in de week dat de Surinaamse president langskomt.

De foto’s bij dit artikel zijn onderdeel van het afstudeerproject ‘Wanneer we opgroeien’ van Kevita Junior, over de Hindostaanse cultuur.
De foto’s bij dit artikel zijn onderdeel van het afstudeerproject ‘Wanneer we opgroeien’ van Kevita Junior, over de Hindostaanse cultuur. Foto Kevita Junior

Op het drukke Hobbemaplein, naast de Haagse Markt, steekt Rabin Baldewsingh het grasveld over. „Heb je dit monument weleens gezien?”, vraagt hij. Hij leest de tekst voor: „Jahán base wahán sundar desu. Daar waar het mij goed gaat, is mijn Vaderland.”

Aan de ene kant staat een gezin, een knapzak in de hand, op weg naar een schip dat hen van India naar Suriname brengt. Op de andere kant heeft de buidel plaatsgemaakt voor een koffer, en het schip voor een vliegtuig. Boven het hoofd van het gezin een dak met rokende schoorsteen. Baldewsingh zegt: „Dit is het verhaal van de Hindostaans-Surinaamse gemeenschap in Nederland.”

Tijdens het bezoek van de Surinaamse president Chan Santokhi aan Nederland deze week zal het natuurlijk over de relatie tussen Nederland en Suriname gaan. Hij zal het ook zeker hebben over de diaspora in Nederland. Daarbij denken veel Nederlanders aan Creolen, terwijl de groep Hindostaanse Surinamers, met Indiase voorouders, groter is. Santokhi is ook van Hindostaanse afkomst. Alleen al in Den Haag wonen naar schatting 45.000 Hindostanen, het is de grootste etnische groep in de stad.

„Het is wat je wilt zien. Wij zitten niet in de hearts and minds van mainstream Nederland”, zegt Baldewsingh, oud-wethouder in Den Haag en schrijver-publicist. „Het beeld van Suriname en Surinamers wordt bijna exclusief bepaald door wat vroeger mensen met kroeshaar werd genoemd”, zegt Ruben Gowricharn, bijzonder hoogleraar Indiase diasporastudies aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Dat is sinds de jaren zeventig niet veranderd.” Het stoorde hem toen al, het raakt hem steeds meer, zegt hij.

Onzichtbaar

Het is niet alleen de generatie van Baldewsingh en Gowricharn die is geïrriteerd. Zij kwamen beiden in de jaren zeventig, toen Suriname onafhankelijk werd, naar Nederland. Ook jongere generaties, overwegend geboren in Nederland, merken op dat zij ‘onzichtbaar’ zijn voor veel andere Nederlanders.

„Terwijl wij echt overal zijn. Ken je geschiedenis”, zegt Jaswina Elahi (41), onderzoeker bij het Rathenau Instituut. Ze vertelt: „Toen ik jong was, in de jaren tachtig, werd aan ons gevraagd: ‘Waar komen jullie vandaan?’. Als ik dan antwoordde: ‘Uit Suriname’, kreeg ik te horen: ‘Oh, jullie zien er heel anders uit.’ Of ik kreeg opmerkingen als: ‘Wat spreken jullie goed Nederlands.’ Mijn kinderen horen dat nog steeds. Het is echt onwetendheid.”

Zelfportret Kevita Junior uit de series ‘Wanneer we opgroeien’ Foto Kevita Junior

„Mensen kijken alsof ze het in Keulen horen donderen als ik zeg dat ik Surinamer ben”, zegt ook Kavish Partiman (33), raadslid voor het CDA in Den Haag en ondernemer. Hij zegt: „De meeste Nederlanders weten dat roti Surinaams is, niet dat het een Hindostaans gerecht is.”

Vinay Lachmansingh (33) zegt: „We komen bijna nooit in het nieuws. Aan de ene kant is dat goed, maar aan de andere kant… Ramadan is altijd een item en Divali [een van de belangrijkste feesten in het hindoeïsme] nooit. FunX heeft muziek voor tijdens de ramadan. Maar voor Hindostanen?” Hij vertelt trots dat het zijn vader was die de frisdrank Fernandes naar Nederland haalde, en leidt rond in Bharat Kings, een ‘superstore’ vol religieuze, traditionele en culturele producten die in 1972 door een oom werd begonnen. „Er was toen niets voor Surinamers, maar er was wel vraag naar.” Hij laat een enorme pan zien. „Samen koken bij huwelijken en begrafenissen is een hele happening.”

Schilderswijk

In de Schilderswijk en Transvaal zit een aantal winkels waarvoor Hindostanen vanuit het hele land naar Den Haag komen. In City Silk, waar trouwkleding wordt verkocht, staat een verloofd stel uit Breda te passen. De bruid heeft hier haar sari uitgezocht, en zoekt nu voor haar toekomstige Hollandse echtgenoot een bijpassende outfit. „Dit zit niet in Breda”, zegt ze.

Vijftig jaar geleden zaten nog veel meer Hindostaanse winkels in deze Haagse wijken. In de jaren zeventig vestigden tienduizenden Hindostaanse Surinamers zich hier. Ze zagen de onafhankelijkheid van Suriname niet zitten, deels uit angst voor Creoolse dominantie in de nieuwe regering. In Den Haag waren in de jaren zestig door studenten al Hindostaanse verenigingen opgericht, een ambtenaar van het toenmalige ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk ving mensen op en was een toko begonnen.

Het sociale vangnet was daardoor in Den Haag, niet in Amsterdam waar de Creolen zich overwegend vestigden. „Daar kon je geen roti vinden”, vertelt Baldeswingh. Wel in Den Haag, waar een concentratie aan toko’s, roti-winkels, kledingwinkels, juweliers, kappers, platenzaken en videotheken ontstond. „Lichamelijk en geestelijk voedsel”, zegt hij.

Nu zijn de winkels veelal Marokkaans of Turks. Maar de eigenaren van de panden zijn nog wel Hindostanen. „Bezit is belangrijk, dat biedt bestaanszekerheid”, zegt Baldewsingh. Terwijl hij vertelt, wordt vanuit een kantoor naar hem geroepen. Het is de zoon van een vroegere videotheekeigenaar.

Fazle Shairmahomed Foto Kevita Junior

Bilal Moolkeea volgde in zijn vaders voetstappen: hij importeert ook allerlei, nu in de coronacrisis onder meer handgels. Hij vertelt dat Bollywood-films „voor het welbevinden heel belangrijk” waren. De videotheken waren razend populair. Nog altijd is Pathé Den Haag een van de plekken waar, snel nadat ze in India zijn uitgekomen, Bollywood-films worden vertoond. Een familielid zorgde voor het lichamelijke voedsel. „Hij ging amsoiblad (mosterdblad) telen in Aalsmeer, in een rozenkwekerij.”

Op de Haagse Markt vertelt groenteman Kees Becker later hoe hij in de jaren tachtig overschakelde van bloemkool en andere Hollandse groenten naar Surinaamse producten. „Er was vraag naar.” Baldewsingh wijst aan: bakkeljauw, groene mango’s, amsoi, verschillende pepers, suikerriet. „Dit is een soort courgette. En dat, dat is heel bitter, bitterder dan witlof.”

Ondergesneeuwd

Waar de eerste generatie bang voor is, is dat door de onzichtbaarheid én onwetendheid het Hindostaanse aandeel in de Nederlands-Surinaamse geschiedenis wordt vergeten. Die gaat als volgt: na de afschaffing van de slavernij in 1863 moesten vrijgekomen slaven nog tien jaar doorwerken op plantages. Daarna ontstond een probleem voor de plantagehouders: ze hadden arbeidskrachten nodig. In navolging van de Britten huurden zij Brits-Indische contractarbeiders in, specifiek uit de Noord-Indiase regio Hindostan. Tussen 1873 en 1916 kwamen 34.304 Britse Indiërs naar Suriname, waar ze een contract voor vijf jaar kregen. Een deel ging daarna terug, een deel verlengde het contract of bleef. Zij kregen een lapje grond en handgeld, en wortelden zo in Suriname.

De Hindostaanse gemeenschap had 2023 willen aangrijpen om 150 jaar verbintenis met Nederland te vieren. Maar waar de aandacht naar uitgaat, is de afschaffing van de slavernij in 1863. „Ik begrijp dat en ik denk dat het ook goed is”, zegt Baldewsingh. „Maar het verhaal van de schepen met contractarbeiders moet niet ondergesneeuwd raken.”

Hoogleraar Gowricharn zegt: „Ik heb in een opiniestuk in Trouw geopperd dat 1 juli in plaats van de herdenking van de slavernij een ‘Dag der Vrijheden’ voor iedereen moest worden. Dan klinkt het niet als het monopolie van de Creolen en kan iedereen vieren.” Na een korte stilte zegt hij: „Daar kwam geen discussie uit voort.”

Foto Kevita Junior

De ergernis groeide vorig jaar toen op NPO1 een inzamelingsactie werd gehouden voor het door corona zwaar getroffen Suriname. Surinamers voor Surinamers heette de uitzending, die werd gepresenteerd door Jörgen Raymann en Humberto Tan. Jaswina Elahi hield er een „zure nasmaak aan over”, vertelt ze. „Ik zag niet ‘wij’ Surinamers. Ik zag Creoolse en autochtone Nederlanders. Hindostanen en Javanen zaten niet aan tafel.” Gowrinchran zegt: „Ik heb op sociale media Hindostanen nog nooit zo boos gezien.”

Elahi zegt: „Ik benijd de afro-Surinaamse gemeenschap wel. Zij zijn mondiger. Wij moeten harder durven roepen, prominenter onze plek durven claimen. Toen zij riepen dat 150 jaar slavernij herdacht en gevierd moest worden, hebben wij toen geroepen? Een enkeling misschien. Maar we zijn eerst met elkaar een leuk idee gaan bedenken. Dan is het te laat.”

Ze zegt: „Hindostanen hadden twee kolonisatoren: de Britten in India en de Nederlanders in Suriname. Onze manier van overleven was door te zwijgen en te schikken.”

Radiozenders

Cultuurwetenschapper Elahi noemt een tweede factor waardoor Hindostanen ‘onzichtbaarder’ zijn: „Waar Creolen op de plantages gedwongen afstand moesten doen van hun taal en cultuur, mochten Hindostanen die in stand houden. Nog altijd zijn taal en cultuur belangrijk, maar de focus is intern, in de gemeenschap.” Ze vertelt over radiozenders, over hoe ze toen ze jonger was via de radio hoorde waar de feesten waren, met welke bands en dj’s. Met eigen muziek, in de eigen taal.

„Wij plukken de vruchten van wat de eerste generatie bouwde”, zegt Elahi. „Maar wij zien ook de gevolgen: hoewel rolmodellen ontbraken in de Nederlandse media, vonden we compensatie in de eigen cultuur, in Bollywood-films. Dus we riepen lang niet om vertegenwoordiging.” Nu mist ze verhalen vanuit en over de Hindostaanse gemeenschap. „Als het over ons gaat, gaat het snel over zelfmoord en diabetes [beiden komen percentueel veel voor onder Hindostanen]. Ik zou bijvoorbeeld graag een Hindostaans-Nederlandse sitcom willen op tv, waar je om jezelf kunt lachen.”

Raadslid Kavish Partiman signaleert dat Hindostanen niet in zichtbare beroepen zitten. Hij is zelf een fervente tempelbezoeker – Den Haag heeft vier grote hindoeïstische tempels en meerdere kleinere – en nam CDA-partijleider Wopke Hoekstra eens mee. „Ik ben in een positie om te laten zien dat wij er zijn”, zegt het raadslid. Zijn vader was niet zo gecharmeerd van Partimans carrièreplannen: „Hij zei: ‘Ben je besodemieterd, daar kan je alleen gras van eten’.” Partiman zegt: „Loop een ziekenhuis binnen. Kijk naar het onderwijs, de advocatuur, ingenieurs. Daar zie je ons. We leerden dat als je het beter wil doen dan de vorige generatie, je moet leren.”

De jongste generaties wonen nog in de Schilderswijk of Transvaal, maar vaker in de Haagse vinexwijken Ypenburg, Leidschenveen en Wateringse Veld. Hij zegt: „Met mooie nieuwbouwhuizen, met een mooie auto voor de deur. Liefst een Mercedes. Rond etenstijd merk je dat er Hindostanen wonen. Dan ruik je de masala.”