De formatie heeft een grote concessie van Rutte nodig. Waar wacht hij op?

Deze week: onregeerbaarheid als reëel vooruitzicht, zelfoverschatting in de Kamer, Rutte en Hoekstra als polishouders, de jij-bak van het jaar, de taxatiefout van Kaag. Ofwel: de hoogste tijd dat Rutte een grote concessie doet.

Dus later kunnen mensen over 2021 constateren dat bijna de hele Kamer een ‘nieuwe bestuurscultuur’ eiste, waarna diezelfde Kamer niet kon voldoen aan de meest elementaire voorwaarde hiervoor: de vorming van een nieuw bestuur.

Onvermogen en zelfoverschatting als basis voor onregeerbaarheid.

Achteraf ging het al vroeg mis. Terwijl politiek leiders in de campagne tegenstellingen wegwuifden en zeiden dat ze ‘met alle redelijke partijen’ de crisis wilden bestrijden, bleken zij in de formatie blokkades voor diezelfde redelijke partijen in petto te hebben.

Het illustreerde hoe slecht de depolitisering van de verkiezingen uitpakte. Formatie in de campagne, campagne in de formatie.

Er zat een verhaal onder. Na de Toeslagenaffaire groeide de Haagse invloed van de nieuwe assertieve stemmen in de Kamer, zoekend naar uitwegen voor oude monistische gewoonten. Het droeg eraan bij dat Mark Rutte (1 aprildebat) en Wopke Hoekstra (kabinetsnotulen) enige tijd wankelden.

Het beperkte hun speelruimte, en beiden kozen voor de verzekeringsgedachte: alle risico’s afdekken. Eigen loopbaan eerst.

Daarom was het wel bijzonder dat Hoekstra dinsdag een coalitie met het pop up-partnership van PvdA en GroenLinks, partijen die wel risico’s aandurfden, niet stabiel genoeg noemde. De jij-bak van het jaar.

Het veroorzaakte mede het miserabele eindresultaat van bijna een half jaar formatie. Zoals een betrokkene in een mengeling van frustratie en ironie zei: „Onregeerbaarheid is natuurlijk óók een vorm van bestuurlijke vernieuwing.”

Ongemakkelijk detail was dat de oude bestuurscultuur in tact bleef, zoals bleek uit de transfer van minister Cora van Nieuwenhuizen (Infrastructuur en Waterstaat, VVD) naar lobbyclub Energie Nederland.

Het leidde tot gêne. Ook VVD’ers wilden haar niet verdedigen. „Je kunt van een drol nu eenmaal geen taartje maken”, hoorde je.

Tegelijk lieten de ontstemde reacties uit de Kamer zien dat de kennis over de intieme relatie tussen politiek en lobbysector hapert. Terwijl toch vrij veel bekend is.

Zo lobbyt de voormalig politiek adviseur van Klaas Dijkhoff (VVD) sinds kort voor ExxonMobile. De net afgetreden landbouwwoordvoerder van de VVD-fractie, Helma Lodders, komt op voor de veetransporteurs. En het oud-Kamerlid Ingrid de Caluwé (VVD) lobbyt voor Tata Steel.

Maar het zijn echt niet alleen VVD’ers. Het oud-GroenLinks-Kamerlid Arjan El Fassed doet ‘public policy’ bij Google Nederland. De Haagse lobbyist van Facebook is een oud-D66-medewerker. De oud-politiek secretaris van toenmalig PvdA-leider Diederik Samsom trad de laatste jaren onder meer op voor Uber.

Regels zijn er intussen amper. Ambtenaren mogen tot twee jaar na hun aftreden geen contact hebben met oud-bewindslieden. Maar de circulaire hierover werd in 2020 ingetrokken. Politici zeiden deze week dat dit aan het verbod niets afdoet, een raadselachtige redenering: waarom dan eerder die circulaire?

Belangrijker misschien: behalve voor oud-bewindslieden zijn er geen Haagse lobbyrestricties, ook niet voor oud-Kamerleden en hun -medewerkers.

Het plaatst pleidooien voor een nieuwe bestuurscultuur in een ontnuchterend perspectief. Je kunt het monisme uit de Haagse praktijk bannen, zodat Kamerdebatten niet meer om de macht van het getal maar om de kracht van het argument gaan, maar al eerder wees ik er hier op dat dit vooral de Haagse invloed van lobbyisten zal vergroten.

Kamerleden hoorde je hier niet over, hoewel het me een relevant gevolg van hun pleidooien leek.

Zo was het eigenlijk in de hele formatie. Er gebeurde niet zoveel, maar je zag bij politici ook weinig besef van de effecten van hun gedrag.

De meeste grote keuzes dit voorjaar droegen een D66-stempel. De partij stuurde aan op de benoeming van de informateurs Herman Tjeenk Willink en Mariëtte Hamer. De keuze voor formeren op basis van de inhoud volgde er logisch op.

Maar onderhandelen werkt pas als mensen zich kunnen verplaatsen in de ander. En in deze formatie plaatsen politici zich voortdurend tegenover de ander.

Zo bleef je in hun beider partijen horen dat er geen klik tussen Rutte en Kaag was. Binnen D66 werd gezegd dat Kaag ervoer dat Rutte niet naar haar luistert. In VVD-kring dat Kaag altijd afstandelijk blijft.

Ook het dieptepunt van afgelopen week kwam bijna mechanisch tot stand.

Voor het zomerreces was binnenskamers wel duidelijk dat de ChristenUnie, voorkeurscoalitiepartner van VVD en CDA, niets voelde voor opnieuw regeren. In feite was alleen de voorkeursoptie van D66 over, met PvdA en GroenLinks. Het verklaarde dat Hamer Lilliane Ploumen en Jesse Klaver vroeg in de vakantie na te denken over formalisering van hun samenwerking.

Zij maakten vorderingen, en in de week van 9 augustus spraken ze ook informeel met Rutte. Aanwezigen herinnerden zich dat de premier constructief was, maar voortdurend herhaalde dat de twee ook na de formatie als eenheid moesten opereren: „Eén fractie die opgaat in één beweging.” Een eis waaraan de Ploumen en Klaver dachten te kunnen voldoen.

Toch bleven hierna berichten verschijnen dat VVD en CDA zich verzetten tegen een coalitie met de twee linkse partijen. Ook intern zou Rutte bij Kaag zijn blijven pleiten voor samenwerking met de CU, waarop Kaag via het AD bewust in het openbaar een streep trok: nee tegen de CU.

Het was achteraf vooral gunstig voor VVD en CDA. Want toen de PvdA-fractie vanaf dinsdag 17 augustus niet akkoord ging met een onmiddellijke fractiefusie, hadden VVD en CDA een alibi om Kaags voorkeurscoalitie te blokkeren: D66 had immers hetzelfde gedaan met de CU.

Maar had Kaag gezwegen, dan zou de coalitie met de CU er ook niet zijn gekomen, terwijl het voor Rutte en Hoekstra lastiger was geweest samenwerking met PvdA-GL af te wijzen. Zo kon haar openheid in de onderhandelingen tegen Kaag worden gebruikt.

Het nam niet weg dat de openbare afwijzing van Rutte en Hoekstra deze week bleekjes onderbouwd bleef. Zij herhaalden dat twee linkse partijen getalsmatig overbodig waren. Maar ook zij omarmden toch de nieuwe bestuurscultuur, waarin het niet om macht maar inhoud moet gaan?

Er speelde vermoedelijk iets anders. Joost Smits, data-analist van de Politieke Academie, zag bij zijn analyse van de verkiezingsuitslag dat VVD-kiezers dit jaar zijn verrechtst (veel FVD-stemmers uit 2019 stapten over) terwijl de partij in de Kamer nu vier partijen rechts van zich moet dulden. „Als de VVD dan met links gaat regeren, heeft de partij echt een probleem.”

Het dilemma is alleen dat de rol van Rutte evengoed een voorname verklaring voor de impasse is. Formaties komen standaard pas op gang zodra de grootste partij serieuze concessies doet. Rutte weet dit als geen ander: in 2012 ging hij bijna meteen akkoord met ingrepen in de hypotheekrenteaftrek, in 2017 accepteerde hij klimaatmaatregelen die de VVD eerder afwees. Momenten die kleinere partijen ruimte gaven ook in te schikken.

Maar door allerlei omstandigheden, deels door hemzelf, deels buiten hem, heeft de VVD-voorman dit jaar vrijwel nog niet bewogen. En zolang dat zo is blijft de onregeerbaarheid van het land een reëel vooruitzicht.

Dus met partijgenoot Johan Remkes straks als informateur is het moment voor een grote concessie wel gekomen. Het zal, zoals het er nu voorstaat, mede bepalen hoe zijn premierschap de geschiedenis ingaat – als risicomijder of als voorman die het staatsbelang boven het eigenbelang durft te plaatsen.