Recensie

Recensie Vormgeving

Hermans’ bemoeienis reikt tot over het graf

Honderd Jaar Hermans De tentoonstelling W.F. Hermans in vorm, in Museum Meermanno toont de kritiek die de schrijver op vormgevers had. Dat hij geen hoge dunk van ze had, is een understatement.

Hans Renders in gesprek voor de wand met veel omslagen, waaronder variaties van die van De tranen der acacia's en De donkere kamer van Damocles.
Hans Renders in gesprek voor de wand met veel omslagen, waaronder variaties van die van De tranen der acacia's en De donkere kamer van Damocles. Foto Museum Meermanno

Het omslag van Salden „is bijzonder lelijk, ongeïnspireerd, een kwelling om naar te kijken, vandaar dat ik niet genoeg haast kan maken het je terug te sturen.” Helmut Salden (1910-1996) was de eminente typograaf die sinds 1949 alle boeken van uitgeverij Van Oorschot verzorgde, waaronder de ‘Russische bibliotheek’. Maar zijn ontwerp voor De god denkbaar, denkbaar de god stond de auteur van die roman uit 1956, Willem Frederik Hermans, niet aan.

Salden mag „nooit meer” een ontwerp voor een van mijn boeken maken, schreef hij aan Geert van Oorschot. In latere titels en herdrukken is alsnog de Salden-huisstijl te zien, maar De god denkbaar verscheen inderdaad met een omslag van een ander: Nicolaas Wijnberg maakte er een lettercollage van. Het boek was een matig succes, zijn uitgever noemde het „De god onverkoopbaar”.

Dat Hermans (1921-1995) geen hoge dunk had van vormgevers en eindredacteuren is een understatement. Hijzelf was de maat der dingen. Zie ook de nijd waarmee hij de apostrof in de titel van Filip’s Sonatine en Homme’s hoest verdedigde tegen „ongeletterden” die het nut ervan betwijfelden.

Bij de aftrap van het ‘Hermansjaar’ – op 1 september zou hij honderd zijn geworden – wijdt Museum Meermanno | Huis van het boek in Den Haag een fraaie tentoonstelling aan de vormgeving van Hermans’ werk.

‘W.F. Hermans in vorm’ geeft een overzicht van vroeg werk – waaronder ook de vier thrillerachtige boekjes die hij rond 1945 ‘om den brode’ onder het pseudoniem Fjodor Klondyke schreef – via de in eigen beheer uitgegeven fotocollages tot aan het verzameld werk, dat sinds 2005 verschijnt en waarvan de laatste van 24 delen volgend jaar moeten uitkomen.

In plaats van de finale ontwerpen te tonen, laten de samenstellers die als het ware ontstaan uit schetsen en deels ongepubliceerde correspondentie. Behalve met kritiek waarvan de honden geen brood lusten overlaadt Hermans zijn uitgevers ook met suggesties, vaak via eigen foto’s. Zoals de diensttrap van een Parijs’ huis op het omslag van de roman Au Pair („au pairs moeten daarvan gebruik maken om goed Frans te leren, denk ik”).

De Volledige Werken laten zien dat Hermans’ bemoeienis tot over het graf reikt. Bij testament bepaalde hij dat die eruit moesten zien als de monumentale Franse Pléiade-bibliotheek en zonder visuele opsmuk. Dat dwong de uitgever om voor de luxe editie – er is ook een goedkopere boekhandelseditie – een grote voorraad papier en rood kunstleer voor de band in te slaan voor het geval dat die later niet meer leverbaar zouden zijn. Het beeldloze moest wel worden opgegeven: met de spartaanse banden verkocht de boekhandelseditie te slecht. Die kregen daarom een stofomslag, met afbeeldingen van Magritte en andere schilders.

Zo hecht als de surrealistische logica van Hermans’ werk is, zo losjes is zijn ‘typografisch universum’ geordend. Je komt er in elk geval niet achter op grond van welke principes hij vormgeving geslaagd vindt. Vaak is het omdat hij ergens iets heeft gezien dat hij ook wil. „Ik zag dat de binnenkant van het Van Kooten-boek bedrukt is met foto’s. Dat vind ik een leuk idee.”

Bij de opening van de expositie, woensdag, werden ook twee boeken gepresenteerd. Hermans Honderd bundelt dertig, merendeels luchtige bijdragen van schrijvers en journalisten. En Van pulp tot Pléiade, een naar volledigheid strevende ‘fotobibliografie’ waarin – als een negentiende-eeuwse vlinderverzameling – afbeeldingen staan van alle drukken van alle Hermans-titels, ook als er geen of nauwelijks verschil tussen is. Voor het eerst zijn daarin ook alle vertalingen opgenomen (in totaal in 29 talen), met afbeeldingen van de omslagen. Met het merendeel heeft hij zich zo te zien niet kunnen bemoeien.

Correctie (6 september 2021): het was niet W.F. Hermans die De god denkbaar, zijn roman uit 1956, „De god onverkoopbaar” noemde, maar zijn uitgever, Geert van Oorschot. Dat is in de tekst aangepast.