Alfons Lammers had in zijn leven graag de perfecte zin geschreven.

Dieuwertje Bravenboer

Interview

‘De meeste levens eindigen in teleurstelling, ja’

Alfons Lammers | amerikanist

Voor zijn brievenboek Het ergste moet nog komen liet Alfons Lammers, emeritus hoogleraar Amerikaanse geschiedenis, zich inspireren door twee vrouwen: dichteres Wislawa Szymborska en zijn dementerende echtgenote.

Het huis van een roker, de ramen gesloten, ondanks het zomerse weer. Otterlo, de Veluwe. Alfons Lammers (81) woont hier, alleen. Zijn vrouw, Martje, woont sinds april in een verpleeghuis in Oosterbeek. Elke ochtend gaat hij naar haar toe en wandelt met haar in rolstoel door park Bato’s Wijk. Bij het standbeeld van de Vredesengel gaat hij op een bankje zitten met uitzicht over de uiterwaarden van de Rijn. Hij pelt een mandarijn voor haar. Hij maakt een praatje met de mensen die hun hond uitlaten. Hij mijmert over de eerste liefdesbrief die hij haar ooit schreef, in de zomer van 1964. Hij was toen ook in Oosterbeek, toevallig, en had haar de dag ervoor gezien bij een zwemwedstrijd in Den Haag. „Maar vanochtend,” zegt hij terwijl hij thee zet, „lag ze zo diep te slapen dat ik haar maar gelaten heb.”

Alfons Lammers, van 1986 tot 2003 hoogleraar Amerikaanse geschiedenis aan de Universiteit Leiden, heeft een boek geschreven, een briljant brievenboek dat vrij naar Schopenhauer Het ergste moet nog komen heet. Het gaat niet over zijn vrouw, maar ze was wel de aanleiding om eraan te beginnen.

In 2015 viel ze van haar fiets. Haar hersens waren beschadigd en daar kwam dementie bij. Na een paar jaar ging het zo slecht met haar – wartaal, woede – dat hij iets te doen zocht om niet gek te worden. Hij las het boek To the Letter van de Britse journalist Simon Garfield, een ode aan de verloren kunst van het briefschrijven, en zo kwam hij op het idee om de brieven die hij sinds jaar en dag aan vrienden en bekenden schrijft te herlezen. Nou ja, brieven. E-mails. En toch echte brieven. Amerika, geschiedenis, politiek, literatuur. Zijn bezwaren tegen de geest der eeuw, zijn grote en kleine belevenissen, zijn gemoedstoestand. Dat alles met humor. Sardonische humor vaak. Maar humor.

Het ergste moet nog komen is een selectie uit de jaren 2006-2016 en opent met het gedicht ABC van de Poolse Nobelprijswinnaar Wislawa Szymborska. Dat begint zo:

Ik zal nooit weten

wat A. van mij dacht.

Of B. mij uiteindelijk niet heeft vergeven.

Waarom C. deed alsof alles in orde was.

De geadresseerden noemt hij bij de eerste letter van hun achternaam: „Je gebeden zijn verhoord, B. Op zaterdagochtend 22 juli heb ik kamer 104a ontruimd. Het was er ondraaglijk warm, m’n laatste sigaret heb ik gauw gedoofd. De sleutel ligt in je postvak beneden. In een van de kasten staan nog wat boeken & tijdschriften. Ik vermaak ze aan de Leidse wetenschap. Of gooi ze anders gewoon weg. Al het overige in het emeriti-kamertje is eigendom van collega Wesseling.”

Wesseling was de hoogleraar Henk Wesseling (1937-2018), die Willem-Alexander begeleidde toen hij nog kroonprins was en in Leiden geschiedenis studeerde. Bekender dan Alfons Lammers, al was die vroeger vaak op televisie als Amerika-duider.

„Tja, dat emeriti-kamertje”, zegt hij als hij op de bank zit. „Een dreun dat ik eruit moest.’

Echt?

„Nou ja, nee. Ik vond het altijd een belevenis om naar die kamer te kunnen gaan en te werken. Maar er moest ruimte worden gemaakt voor de assistenten in opleiding. En toen dacht ik: oké, dan maar helemaal weg. Zo zijn we in Otterlo terechtgekomen, niet het beste idee. Ik mis Leiden nog elke dag.”

Zo zijn we in Otterlo terechtgekomen, niet het beste idee. Ik mis Leiden nog elke dag

U bent uw status kwijt?

„Ach nee, dat is het niet. Ik behoor niet tot degenen die al op jonge leeftijd hopen dat ze hoogleraar worden. Leiden, dat waren de studenten, dat was Schulte Nordholt, de hoogleraar bij wie ik gestudeerd heb. Dat hij naast historicus ook dichter was, sprak mij bijzonder aan. Ik heb altijd van poëzie gehouden. Door hem ben ik Amerikaanse geschiedenis gaan doen en in 1966 ben ik met Martje naar Amerika gegaan. Ik studeerde en zij werkte in een bloemenwinkel. We waren er graag gebleven, maar ik moest terug door gedoe met de militaire dienst.”

Was u in Amerika gelukkiger geworden?

„Geen idee. Ik vond het destijds een geweldig land en we hebben ongelooflijk veel plezier gehad. Het gevoel dat je alles kon worden wat je wilde. De ontzettende aardigheid van de mensen, je kunt het je niet meer voorstellen. Maar misschien” – hij lacht vol zelfspot – „was ik nu een enorme fan van Trump geweest.”

Wat had u daar willen worden?

„Ik denk dat ik de journalistiek in was gegaan.”

Journalisten, schrijft u, zijn halfbakken intellectuelen.

„Dat is scherts, hè.”

Moet je tegenwoordig mee uitkijken.

„Dat hebben we van de Amerikanen overgenomen. Amerikanen begrijpen níets van ironie. De Volkskrant publiceerde vorig jaar een ingezonden brief van me naar aanleiding van een woke discussie over vrouwenhaat in The Great Gatsby. Ik schreef: zullen we die bladzijden er dan maar uitscheuren? Een dag later plaatsten ze een brief van iemand die zei: hoe durft hij dat te zeggen, dat gebeurt alleen in dictaturen. O, lieve God, ze nemen me serieus. Ik bén serieus, maar je moet de dingen lichtvoetig brengen, vind ik. Daarom is Wislawa Szymborska mijn absolute heldin.” Hij slaat de bundel die voor hem op tafel ligt open en leest de eerste regels van het gedicht Haat voor.

Zie eens hoe doelmatig nog steeds,

hoe goed in vorm

in onze eeuw de haat is.

Hoe moeiteloos hij hoge hindernissen neemt.

Hoe makkelijk hij springt, zijn prooi bereikt.

„Dat is toch helemaal… dat is zo fantastisch. Ik kan haar blijven citeren.” Hij laat haar foto op de achterkant zien, een paar jaar voor haar dood. „En ook nog zo’n leuke vrouw. Of mag ik dat niet meer zeggen?” Weer die lach.

Toch wekt u in uw boek de indruk van een misantroop.

„Het is waar dat ik het op veel mensen niet zo begrepen heb.”

Beroemde historici als Huizinga maakt u met plezier een kopje kleiner.

„Nee, ik voer hem ten tonele met alle gebreken die bij een uitzonderlijk mens horen. Uit zijn postuum gepubliceerde autobiografische schets Mijn weg tot de historie rijst een beeld op van iemand die weinig twijfel kende. Buitengewoon probleemloos, zo omschreef hij zichzelf. Maar in zijn driedelige Correspondentie komt hij heel anders over. Kwetsbaar, soms depressief, nogal burgerlijk. En kleiner maken, dat doe ik niet met iedereen hè. Voor een strijdbare man als Geyl” – de hoogleraar Pieter Geyl (1887-1966) – „koester ik warme gevoelens. Hoe hij al in de jaren vijftig een figuur als McCarthy fileert, zo goed.” Joseph McCarthy, de Republikeinse communistenhater die loog en bedroog om zijn politieke tegenstanders uit te schakelen. „Het roept reminiscenties op aan Trump en door over Geyl te schrijven, probeer ik te bewijzen dat een figuur als Trump niet uit de lucht komt vallen. Dat nihilisme van hem heeft in Amerika een lange traditie.” Hij is even stil. „Misantroop zei je. Hm. Misschien omdat vrijwel iedereen me altijd zo áárdig vindt. Dat begint me weleens te vervelen. Of misschien is het de ongewilde destructie van mijn vrouw die tot zelfdestructie leidt.”

Alfons Lammers thuis in Otterlo. Dieuwertje Bravenboer

U verbaast zich er in 2015 al over dat niemand ziet dat de Taliban Afghanistan zullen heroveren zodra de Amerikanen vertrekken.

„Daar hebben ze nooit enig misverstand over laten bestaan. De chaos is nu compleet. Kabul is Saigon is het kwadraat. Jammer dat politici zelden naar historici luisteren. Ik heb net weer een boek gelezen over het gevoel van exceptionalisme van de Amerikanen. Wij zijn uniek, wij dragen over de hele wereld de goede boodschap uit. Nou, dat is dan sinds de Tweede Wereldoorlog voor de zoveelste keer mislukt.”

U citeert in uw boek Anita Brookner: ‘I suppose most lives end in disappointment.’ Dan bent u niet ironisch.

„Nee.”

U bent cum laude gepromoveerd, u was betrekkelijk jong hoogleraar. Wat had u nog meer gewild?

„Je wilt natuurlijk altijd meer. Plus est en vous. Misschien is het mijn afscheid van Leiden dat te lang aan me is blijven knagen. Door de tinnitus waar ik toen aan leed, was het een beetje morsig. Raar om van jezelf te zeggen, maar ik ben overgevoelig. Dat zeggen mijn dochters ook. Ik trek me veel dingen erg aan. Zoals dat met Martje – de arts van het verpleeghuis zegt: meneer Lammers, uw vrouw zit hier goed, u moet uw eigen leven gaan leiden. Dan denk ik: is hij zelf getrouwd? Met liefde? Hij bedoelt het goed, hij wil me troosten. Maar ik kan haar niet loslaten. Ik ben er niet aan toe. Dat was nog een reden om dat boek te gaan schrijven: mijn verleden met haar vasthouden.”

Nog een reden om dat boek te schrijven: mijn verleden met haar vasthouden

U heeft het aan haar opgedragen?

„Forever Dee, ja, dat is Martje, ja. Al heeft ze geen idee meer wat een boek is.”

U wilde uw boek ook publiceren.

„Mai Spijkers, mijn uitgever, had me na mijn pensionering al gevraagd om iets voor hem te doen. Hij dacht aan een wetenschappelijk boek, maar daar heb ik een beetje mijn bekomst van. Interessant hoor, al die academische verhandelingen met voetnoten, maar het directe, het persoonlijke van brieven, de intimiteit ervan, de trivialiteit ook, niet alleen het verhevene, dat vind ik interessanter. Dit is mijn leven, misschien staat het symbool voor andere levens. En ja, ik wilde het graag publiceren. Is dat erg?” Hij loopt naar de keuken om te roken en roept dat het zijn laatste poging is om het Capitool van de roem te bestormen. „Ik zie opeens de beelden voor me van die aanhangers van Trump en daar hang ik dan tussen, mijn nagels in de muur. Hé, en ik dan? Ik ben er ook nog!”

U lacht wel, maar wat verbergt u ermee?

Hij dooft zijn sigaret, gaat weer zitten en zegt: „Je hebt die vragenlijst van Proust, je weet wel. Vooral bedoeld om jezelf beter te leren kennen. Wat is het hoogste doel in je leven? De volmaakte zin schrijven. Daarom ben ik zo geboeid door The Great Gatsby. Zoveel volmaakte zinnen! Ik las eens dat Scott Fitzgerald geïnspireerd was door de dichter John Keats en ik dacht: ja, het is meer poëzie dan proza. Tot mijn schrik hoorde ik dat er een musical van The Great Gatsby wordt gemaakt. Een Nederlandse musical.” Hij grijpt naar zijn hoofd. „Ik heb dat boek eindeloos gelezen. Voor het eerst op mijn zeventiende. Unabridged, met voorop een aanbeveling van T.S. Eliot.”

Daar mogen de mensen niet aankomen?

„Ach, ze doen maar. Maar het kwam bij mij binnen als een mokerslag. Zal ik er voor de zekerheid bij zeggen dat dit grappig bedoeld is?” Hij loopt naar de boekenkast en komt terug met een facsimile-uitgave van het oorspronkelijke manuscript. „Al die doorhalingen, zie je dat? Het eindeloze zoeken naar de goede toon, het juiste woord. En dan de dreiging die er in zit, de onontkoombaarheid van de ondergang, het najagen van het onmogelijke. Jay Gatsby die aan het eind door iedereen verlaten wordt. Niemand die loyaal aan hem blijft als hij heeft afgedaan.”

U wilt niet die ene perfecte zin schrijven. U had The Great Gatsby willen schrijven.

„Zo is het. Als ik heb gefaald in mijn leven, dan is het omdat ik The Great Gatsby niet heb geschreven. Of The Remains of the Day van Kazuo Ishiguro. Eén gedicht van Szymborska en ik was een gelukkig man geweest.”