Opinie

De krant blijft worstelen met gender en met wat ‘genderkritiek’ is gaan heten

De ombudsman

Zegt een spatie meer dan duizend woorden? Een eindredacteur vroeg raad of er nu wel of geen spatie moest in woorden als ‘trans man’ en ‘trans vrouw’ .

Grammatica? Nou, nee. Transactivisten benadrukken met de spatie tussen trans en vrouwen of mannen dat die geen aparte ‘soort’ zijn. ‘Trans’ is een persoonlijke eigenschap, geen soortnaam (in NRC vind ik beide varianten, meestal zonder spatie).

Kortom, in die spatie schuilt een heel mensbeeld. Het doet denken aan „persoon met autisme” (een person-first benadering) versus „autistisch persoon” (identity-first). Het eerste zegt: je bent mens en toevallig heb je autisme, het tweede eerder: autisme is bepalend voor je identiteit (en niets om je voor te schamen).

Ja, en dan heb je neerlandici, die erop wijzen dat ‘trans’ niet te vergelijken is met bijvoeglijke naamwoorden, en dat het weglaten van een spatie helemaal niet duidt op ‘een andere soort’ (zomin als ‘buurvrouwen’ heel anders zijn dan andere vrouwen).

Maakt het wat uit?

Ja, het maakt uit. Columnisten beweren graag dat je met woorden de wereld niet verandert. Maar dat gebeurt natuurlijk wel degelijk: zie de drieslag ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Woordenstrijd is zo heftig omdat die juist reële gevolgen heeft.

Zo is het ook met gender. In de Volkskrant klonk recent een (erg mooi geschreven) hartenkreet tegen „mooischrijverij” die transfobe haat zou verhullen. Die zou in de Nederlandse media oprukken en dat moest een halt worden toegeroepen. Volgens een gelijkgestemde oproep waar het stuk naar linkte heeft dit „hatelijke gedachtegoed” inmiddels helaas een „plaats gekregen” in de Nederlandse mainstream media.

Zou het? De oproep (die ook NRC ontving) noemde geen stukken, de hartenkreet was gericht tegen ‘leuke’ relletjes en mede tegen HP/De Tijd-columnist Jan Kuitenbrouwer die recentelijk de noodklok luidde over transactivisme. Bij De Telegraaf deed opiniemaker Wierd Duk, die alles wat ‘woke’ wordt genoemd een oprisping vindt uit de Middeleeuwen, ook een duit in het zakje.

Is dat een golf van transfobie? Recent nog boekten transactivisten juist een klinkende, structurele overwinning. Het ANP, leverancier van vrijwel alle media, neemt genderneutrale voornaamwoorden van het Transgender Netwerk Nederland over, met „hen” of „die” voor non-binaire personen.

Eerlijk gezegd heb ik dus een andere indruk – zeker bij NRC.

De artikelen die ik hier de laatste maanden las over gender waren zonder uitzondering emancipatoir en vrij van transfobie. Onrust of bezorgdheid waren incidenteel te vinden op de opiniepagina – twee keer in vier maanden.

Sterker, een bespreking van ‘genderkritische’ boeken die in het buitenland veel aandacht krijgen, haalde deze week niet eens de eindstreep. De lange recensie, door mediasocioloog Peter Vasterman (auteur van één van die twee opiniestukken) was al dankbaar aanvaard en geaccordeerd. Maar op de valreep kreeg hij te horen dat het niet doorging.

Volgens de redactie Boeken, die zich er in collectief beraad over boog, was de bespreking bij nader inzien niet goed genoeg en riep die te veel „vragen” en „kwesties” op. Het commentaar bleek een lawine aan kritiek en een schreeuw om onderbouwing, alsof er een proefschrift was ingeleverd.

Hoe dat ook zij (ik ga niet over ongepubliceerde artikelen), opmerkelijk is die plotselinge en radicale volte face wel. Dat had de redactie dus beter kunnen aanpakken, want die boeken (elders allang besproken, ook in fatsoenlijke kranten als The Guardian) rechtvaardigen bespreking.

Een gemiste kans op zijn minst, los van het feit dat ook recensies uiteraard kritisch moeten worden beoordeeld. Niet omdat er zo nodig ‘genderkritiek’ in de krant moet, maar omdat een politieke én academische strijd die in Engeland en de VS hevig woedt, de lezer zo wordt onthouden. Mag die er ook zelf eens over oordelen?

Over die strijd – en de vraag hoeveel eenheden ernst en hoax die bevat – valt meer dan genoeg uit te leggen. Wat zijn de ervaringen elders met gender-wetgeving? Waarom klinkt er kritiek van sommige ‘radicale’ feministen, en slaat die ergens op?

Dat zijn deels empirische kwesties, zoals het vermeende gevaar voor vrouwen van genderneutrale ruimtes. Maar ik zou als leek ook graag bijgepraat willen worden over meer filosofische vragen, om verwarring over het begrip gender op te helderen. Soms lijkt dat een synoniem voor geslacht, in het klassieke feminisme slaat het op rolpatronen (de ‘sociale betekenis van sekse’), in postmoderne theorie wordt ook biologie gezien als cultureel bepaald en gender als ‘performance’ . Uit de media krijg je dan weer de indruk dat gender een soort innerlijke essentie is, dus juist niet sociaal bepaald, die elk individu zelf moet ontdekken. Het roept allerlei vragen op over identiteit en identificatie, en over de publieke en particuliere criteria ervan.

Trouwens, er is ook genoeg onderzoek te doen naar het niet-feministische, extreem-rechtse offensief tegen wat daar heet ‘gender-ideologie’. Dat walmt van de paranoïde ondergangsfantasieën over een „transhumane” toekomst, waarin alles wat solide was vloeibaar is geworden.

Het probleem lijkt me dit. Als je op kousenvoeten om deze controverses heen blijft lopen, worden die vanzelf voer voor overspannen polemiek. Dus nee, het gaat hier niet om een obligate hang naar ‘balans’, maar wel om meer, grondig en veelzijdig onderzoek, dat lezers in staat stelt zin van onzin te scheiden, en serieuze discussie van morele paniek.

Doe dat niet, en ‘genderkritiek’ wordt het domein van columnisten en cabaretiers die leven van ophef en vertier.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.