De crisis van het politieke midden

Formatie Hoewel middenpartijen inhoudelijk weinig van elkaar verschillen is de formatie na vijfenhalve maand amper gevorderd. Het is het gevolg van een jarenlange impasse van het politieke midden.

Illustratie Hajo

Mét elkaar, nee, dat gaat niet. De onderlinge verschillen tussen de zes partijen (VVD, D66, CDA, PvdA, GroenLinks en ChristenUnie) die meededen aan de gesprekken met informateur Mariëtte Hamer waren klein. Toch hielden ze elkaar maandenlang gevangen in een web van blokkades en eisen. En dit was nog maar het voorprogramma. De formatie is, vijfenhalve maand na de verkiezingen, nog niet eens begonnen.

Het ging, zei een teleurgestelde informateur Mariëtte Hamer donderdag, om „beeldvorming”. Om „dunne lijntjes” in de persoonlijke verhoudingen. Onaardige dingen die over elkaar waren gezegd „in de media”. Om opstandige achterbannen en Kamerfracties. Kortom: een „complex”, onoplosbaar probleem.

Maar zónder elkaar, ook dát is ondenkbaar. Buiten deze zes middenpartijen is er vrijwel geen andere partij waar een meerderheidscoalitie mee gevormd kan worden. De partijen op de flanken, zowel links als rechts, zijn geen serieuze optie of worden op voorhand uitgesloten. Een kleine centristische nieuwkomer als Volt wil niet.

Lees ook deze reconstructie: Klaver was soms te gretig en Hoekstra gaf niets prijs; hoe de formatie zó kon vastlopen

Het is een impasse waar het politieke midden al jaren in verkeert, maar die nu pas écht grote consequenties krijgt. De meeste middenpartijen lopen sinds het einde van het tijdperk-Paars (1994-2002) leeg. Ze hebben moeite zich van elkaar te onderscheiden. Confessionelen, liberalen en sociaaldemocraten – een eeuw geleden nog gezworen vijanden – hebben hun eigen prioriteiten, nestgeur en oplossingen. Maar uiteindelijk is hun agenda min of meer dezelfde: iets meer overheid, iets minder markt. De klimaatdoelen halen. Het stikstofprobleem oplossen. De arbeidsmarkt en de landbouw hervormen.

Opgesloten in een machtscocon

De opkomst van Pim Fortuyn in 2002 legde veel maatschappelijk ongenoegen over de gevestigde orde bloot. Die storm is nooit gaan liggen. De flankpartijen zijn onder kiezers, zeker op rechts, een stabiele factor geworden. De middenpartijen lieten het debat over politiek en bestuur intussen lopen, betoogde politicoloog Matthijs Rooduijn onlangs in NRC. Angstig en onzeker weigerden ze het debat over de politieke cultuur te voeren, waarna radicaal-rechtse partijen het konden verpakken in een populistische boodschap van nationalisme en anti-immigratie. Die misser, betoogt Rooduijn, zorgde ervoor dat „de middenpartijen zich meer en meer opsloten in hun machtscocon, wat de anti-establishmentboodschap dat Den Haag zich vooral bekommert om Den Haag onbedoeld sterker maakte”.

Inhoudelijk vervlakt en electoraal uitgedund – het midden kwam steeds meer onder druk te staan. Centrumlinks (PvdA, GroenLinks) en centrumrechts (CDA, VVD) hebben, aangevuld met de ambigue middenpartijen (soms centrumlinks, soms centrumrechts) D66 en ChristenUnie, nu 95 van de 150 Kamerzetels. Dat lijkt veel, maar in 2002, toen Fortuyn opkwam, zaten ze nog op 138 zetels. Bovendien: de flankpartijen zijn zó onbespreekbaar voor het centrum, dat iedere meerderheid uit die 95 zetels gedistilleerd moet worden.

Als middenpartijen samengaan in een coalitie, zullen de flankenpartijen de oppositie domineren

Tom van der Meer, hoogleraar politicologie

Door de versnippering van het midden – met de VVD als uitzondering – zijn er op dit moment minimaal vier partijen nodig om een meerderheidscoalitie te vormen. Het gevolg is dat het midden nóg verder onder druk komt te staan, zegt hoogleraar politicologie Tom van der Meer, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. „Er wordt nu niet alleen een coalitie, maar ook een oppositie geformeerd. Als middenpartijen samengaan in een coalitie, zullen de flankenpartijen de oppositie domineren. Zij worden het enige alternatief voor kiezers die uitgekeken raken op het midden.” Zo maken de middenpartijen van de radicale partijen het enige alternatief.

Partijen in het politieke midden maken al jaren slecht duidelijk aan de kiezer wat hun onderlinge verschillen zijn, zegt Van der Meer. Als er steeds meer partijen nodig zijn voor een meerderheidscoalitie, worden regeerakkoorden steeds dikker. Coalitiepartijen hebben dan geen ruimte om met eigen ideeën te komen.

Om zichzelf te wapenen tegen leegloop en irrelevantie hebben de centristische partijen hun middenpositie juist tot dóél verheven. In 2017, toen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie hun coalitie sloten, noemde CU-leider Gert-Jan Segers dit „een laatste kans van het politieke midden”. In het regeerakkoord van Rutte III stond dat het kabinet zou proberen de polarisatie in Nederland tegen te gaan, en het vertrouwen in politiek te herstellen. Het kabinet zou ‘kloven’ tussen bevolkingsgroepen dichten, maar óók de kloof tussen burger en politiek: laat ons nou maar, anders heb je de chaos van de radicalen.

Het is een echo van het boek The Vital Center uit 1949, van Arthur Schlesinger jr, dat generaties Amerikaanse politici heeft beïnvloed, tot aan Bill Clinton toe. Schlesinger schreef dat het politieke midden niet flets moest zijn, maar juist extreme ideologieën als nazisme en communisme actief moest bestrijden. Waarden die het midden moest verdedigen: „een afkeer van fanatisme, compromisbereidheid, overtuigingskracht en overeenstemming in de politiek, in de richting van tolerantie en diversiteit in de samenleving”.

Pragmatisme en compromis

Maar juist wat de middenpartijen zo aantrekkelijk zou moeten maken – orde, pragmatisme, compromisbereidheid – dat laten zij nu niet zien. Zet zes compromisbereide partijen aan een tafel en het resultaat, na bijna een half jaar, is: geen compromis.

Laat het ‘verstandige midden’ regeren, en het resultaat is óók: een ‘Rutte-doctrine’, een toeslagenaffaire, Kamerleden die een dubbelfunctie in het kabinet krijgen (en de Kamer pas verlaten na een kritisch oordeel van de Raad van State), en een minister van Infrastructuur en Waterstaat die lobbyist voor de energiesector wordt.

„Tijdens de verkiezingscampagne slaagde VVD erin alle inhoudelijke thema’s van de agenda te krijgen”, zegt Van der Meer. „Ze lieten het, heel slim, om het leiderschap van Mark Rutte gaan. Keer op keer stond hij in debatten tegenover Geert Wilders, en kon hij zeggen: ‘Ik ben het met u eens, maar het verschil tussen ons is dat ik dingen voor elkaar krijg.’ Inhoudelijk conflict hoort bij politiek, het geeft houvast. Maar dat werd de kiezer ontzegd.”

De lange en besloten formatieperiode ondergraaft de legitimiteit van het midden nóg verder, signaleert Tom van der Meer. Partijen hebben zich vóór de verkiezingen nauwelijks uitgelaten over coalitievoorkeuren, en zijn ná de verkiezingen opeens heel stellig. „De link tussen de uitslag en een eventuele coalitie is wel erg dun. Er is geen inhoudelijk gesprek geweest, en de kiezer is niet bij de afwegingen van de partijen betrokken.”

Ze lijken te veel op elkaar

Mariëtte Hamer deed in haar eindverslag een opmerkelijke observatie. Een van de oorzaken van de halsstarrigheid van de zes partijen was niet dat ze zo verschillen, maar juist dat ze zo op elkaar lijken. Hamer zei donderdag: „Als je steeds dichter bij elkaar komt, wordt de drang in het midden nog groter om zich van elkaar te onderscheiden.”

Lees ook over het eindverslag van de informateur: Hamer waarschuwt de partijen: blijf vooral niet boos op elkaar

Hoe minder inhoudelijk conflict, des te groter de drang tot polarisatie. En dus gaan partijen elkaar uitsluiten, of gaan ze driftig op zoek naar soms minimale verschillen.

In een zoektocht naar stabiele meerderheden is het politieke midden juist buitengewoon instabiel geworden. Mariëtte Hamer schrijft in haar eindverslag dat het daarom logisch is de optie van een minderheidskabinet te onderzoeken. Minderheidscoalities, waarbij steeds deals met de oppositie gesloten moeten worden, zijn niet populair. Maar hoogleraar politicologie Sarah de Lange (Universiteit van Amsterdam) is er een „groot voorstander” van. Ze weet, zegt ze, dat het idee niet past bij de „consensusdemocratie” die Nederland een lange tijd was. Maar juist dat systeem loopt op zijn eind, zegt ze, nu het politieke landschap is gefragmenteerd. „Het wordt onvermijdelijk coalities met vier, vijf partijen te sluiten. De compromissen die daarvoor nodig zijn, wissen de onderlinge verschillen verder uit. Dat versterkt het beeld bij de burger dat er niks te kiezen valt tussen die partijen.”

In een minderheidskabinet liggen de verhoudingen minder vast. „Je bouwt een mooie flexibiliteit in. Het regeerakkoord hoeft niet meer zo dik te zijn. Soms kun je de onderlinge tegenstellingen in de coalitie laten voor wat ze zijn en elders steun zoeken voor je plan.”