‘In de medische pikorde staan bedrijfartsen niet bovenaan, zeg maar’

Bedrijfsartsen Aan bedrijfsartsen is een groot tekort. Het specialisme is weinig populair bij studenten geneeskunde. „In de medische pikorde staan wij niet bovenaan, zeg maar.”

Illustratie Rik van Schagen en Roland Blokhuizen

‘Kijk, chirurgen: díé doen natuurlijk heroïsch werk,” zegt bedrijfsarts Luut van der Zwaag (63). „Een patiënt komt onder het bloed binnen en na jouw ingrijpen is iemand weer heel. Of een oncoloog: iemand heeft kanker en jij kan die kanker genezen. Dat scoort ook leuk. Maar een overspannen juf die jij een beetje minder stress laten hebben. Tjá..” Van der Zwaag schetst het bewust een beetje zwart-wit, maar zo wordt er in het medisch vakgebied nog vaak tegen de bedrijfsgeneeskunde aan gekeken. „In de medische pikorde staan wij niet bovenaan, zeg maar. Toen ik ooit begon als verzekeringsarts – dat kampt met hetzelfde imago – zeiden mijn studiegenoten: ach Luut, en je kon nog wel zo goed leren.”

Julia Verbist is bedrijfsarts in opleiding bij Zorg van de Zaak en dik dertig jaar jonger, 29. Maar ook in haar generatie is het imago van de bedrijfsarts nog steeds niet om over naar huis te schrijven. „Veel studiegenoten zijn er sceptisch over omdat ze het niet medisch genoeg vinden. Je bent niet aan het snijden of aan het behandelen in het ziekenhuis. En dat is toch wat de meeste studenten voor zich zien als ze beginnen aan Geneeskunde.”

Een andere veelgehoorde sneer: als je niks kunt, kun je altijd nog bedrijfsarts worden. Verbist: „Afgestudeerde bedrijfsartsen kunnen makkelijker een baan vinden dan chirurgen, dat is een feit. Maar voor mij was dat niet de reden om deze specialisatie aan te gaan. Ik ben gevallen voor de variëteit. Ik kom op zo veel plekken: vandaag was ik in een museum én in een gemeentehuis om mijn spreekuur te draaien. Verder mag ik per consult vaak een uur met patiënten praten; in die tijd heeft de specialist in het ziekenhuis er al zes patiënten doorheen moeten jagen.”

Hardnekkig tekort

Er is al jaren een tekort aan bedrijfsartsen. Waren er tien jaar geleden nog ruim 2.100, in 2019 – de meest recente peildatum – waren dat er nog maar 1.683. De verwachting is dat deze daling nog wel even doorzet, omdat er een grote groep bedrijfsartsen met pensioen gaat en de instroom niet groot genoeg is om dat te compenseren. Al jaren is de beroepsvereniging in samenwerking met brancheverenigingen, opleidingsinstituten en het ministerie van Volksgezondheid bezig met een imagocampagne. Hoe kan het dat het tekort dan toch zo hardnekkig in stand blijft?

Een belangrijke factor daarin is de financiële structuur van het vak. Bedrijfsgeneeskunde is de enige medische specialisatie waarvan de opleiding privaat gefinancierd wordt: door het bedrijfsleven zelf dus. „Dat vinden wij een heel groot probleem, omdat je daardoor op geen enkele manier kunt sturen”, zegt Gertjan Beens, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) en werkzaam als zelfstandig bedrijfsarts in Enschede. „Als er een tekort aan huisartsen zou zijn, dan kan het ministerie extra geld vrijmaken voor opleidingsplekken, of de numerus fixus van de opleiding verruimen. Die mogelijkheid heeft VWS voor bedrijfsartsen op geen enkele manier. Dat vinden wij vreemd en ongewenst.”

Kelderende omzetten

Wat het gebrek aan sturing voor effect kan hebben, bleek in 2005. In dat jaar was er een belangrijke wetswijziging. Waar je daarvóór als werkgever verplicht was om een contract te hebben bij een arbodienst, viel na 2005 die verplichting weg en konden bedrijven zelf hun arbo-ondersteuning organiseren. Het gevolg: kelderende omzetten voor de arbodiensten. Beens: „Ik was in die tijd zelf regiodirecteur bij de Arbo Unie. Daar zag ik de omzet in een jaar halveren, en later doken we zelfs nog dáár onder.”

De economische crisis van 2008 was een tweede klap voor de omzet van de arbodienst. In die jaren zijn er daarom veel te weinig artsen opgeleid. „Soms maar tien per jaar”, zegt Beens. Een bedrijfsarts opleiden en begeleiden is namelijk duur; zomaar 40.000 euro. Door de wetswijziging zou marktwerking het capaciteitsprobleem vanzelf oplossen, zo was het idee, maar Beens noemt het marktfalen. Vanuit de NVAB pleit hij nu voor een Noodfonds – deels gefinancierd door de overheid, deels door het bedrijfsleven – dat opleidingsplekken financiert voor bedrijfsartsen en de opgelopen achterstand een beetje recht kan trekken.

Als bedrijfsarts sta je echt midden in de maatschappij

Idealiter zouden er nu zo’n vierhonderd bedrijfsartsen meer moeten zijn om aan de vraag te kunnen voldoen – zou Beens inschatten. Dat merkt Luut van der Zwaag ook bedrijfsmatig. Hij heeft een eigen praktijk samen met een compagnon in Gelderland. „Als ik wil, zou ik vijf keer zo vol kunnen zitten. Echt waar. Ik moet bijna wekelijks wel een keer nee zeggen. Soms zijn bedrijven echt wanhopig omdat ze niemand kunnen vinden.”

Zeer beperkte kennismaking

Buiten het financiële systeem, helpt het ook niet mee dat maar weinig studenten geneeskunde warmlopen voor een specialisatie als bedrijfsarts. „Onbekend maakt onbemind”, zegt Frederieke Schaafsma daarover. Ze is bijzonder hoogleraar en hoofd van de polikliniek Mens en Arbeid in Amsterdam UMC. Ook is ze semestercoördinator bij de Bachelor Geneeskunde opleiding van het VUmc. „De kennismaking met ons vakgebied in de opleiding is zeer beperkt. In de Master is er vaak maar één coschap van twee weken voor het gehele spectrum van de sociale geneeskunde. Terwijl de kennismaking essentieel is om interesse te wekken voor het vak. Je begint toch aan Geneeskunde omdat je wilt genezen en behandelen. Dat had ik zelf ook toen ik 18 was.”

Je moet er toevallig mee in aanraking komen wil het vak je grijpen, zo blijkt uit de verhalen van de bedrijfsartsen uit dit artikel. Schaafsma: „Je zou het kunnen vergelijken met ... hoe noem je dat, een acquired taste? Iets wat je moet léren waarderen.”

Schaafsma ziet tot haar vreugde wel een kleine kentering: de sociale geneeskunde staat er minder slecht op dan vijf of tien jaar geleden. „Er is in de hele maatschappij meer aandacht voor preventieve geneeskunde en meer focus op levensstijl. Dat zie je terug in de interesse bij de studenten, maar ook in het gegeven dat er steeds meer zij-instromers zijn: huisartsen of medisch specialisten die overstappen omdat ze toch de waarde in zien van een langer consult kunnen houden, of op zoek zijn naar variëteit. Dat is wel nieuw.”

Bedrijfsartsen geven overigens eerlijk toe dat het ziekenhuis inderdaad vaak een meer dynamische en spannende omgeving is dan het kantoor waar zij zitten. De 29-jarige Julia Verbist dacht tijdens haar opleiding dat ze arts op de Spoedeisende Hulp zou worden – ‘gebroken botten recht trekken vond ik heel leuk’ – maar ze is nu helemaal ‘om’ voor de bedrijfsgeneeskunde. „Veel mensen uit de geneeskundige wereld hebben een wat beperkte blik op de wereld: zet ze bij elkaar op een feestje en ze beginnen meteen over medische dingen te ratelen. Terwijl ik juist altijd breder geïnteresseerd ben geweest. Als bedrijfsarts sta je echt midden in de maatschappij.”

Zo keek ze een tijdje geleden met haar vriend naar een film waar iemand een auto bekraste met een sleutel. „We vroegen ons hardop af: wat zou dat nou kosten om te repareren? Nou, de volgende dag had ik dienst bij een autospuiter – kon ik het meteen vragen!”