Wanda

NRC Schrijfwedstrijd 315 lezers stuurden een kort verhaal naar NRC’s Achterpagina. Zes verhalen sprongen eruit. Nummer 5:
Meeuw
Meeuw Foto Eric Isselée

Verwar de zeebries niet met de vette walm van de viskraam, waar we in gelukkige tijden het eten gratis opgediend kregen. De maaltijden werden uitgeserveerd op witte wegwerpschelpen. De sauzen lagen apart in vakjes als neergekwakt vogelkak. We zaten het liefst bij Wanda, aan de boulevard, ze kwam elke ochtend uit Volendam gereden. Haar schone viskraam was haar trots, samen met haar ouders Bep en Jan paneerde ze de moten waar je bijstond. Er was een ruim assortiment aan inktvisringen, gebakken mosselen, kibbeling, schar, schol, gamba’s en gefrituurde poon. Vooral in de zomer was het een komen en gaan van snackliefhebbers, we hadden de hapjes voor het uitzoeken. „Ma, ik wil kibbeling!” krijste mijn zus en moeder speurde rond, ze vloog tegen wat angstige gezichten aan en graaide de brokken gebakken kabeljauw onder hun neuzen weg. Dat gaf veel commotie en geschreeuw, maar we zaten een minuut later al achter ons ontbijt. „Gebakken inktvisringen graag, met currymayonaise!” riep mijn broer en vader vloog al weg.

De klanten waren niet op hun achterhoofd gevallen, de schotels met vis werden steeds voorzichtiger gedragen. Hun handen en extra bordjes beschermend om het voedsel als tweekleppigen. Die maatregelen weerhielden vader en moeder er niet van een portie te bemachtigen. Het was een kwestie van positie innemen en meedogenloos toeslaan. Het gegil en gevloek was hilarisch en we genoten met onze snavels vol vettigheid. „Vieze kutmeeuwen”, schreeuwden de gedupeerden en we schudden onze koppen, we wisten wel beter, wij waren zeemeeuwen en geen kutmeeuwen. Toen onze voedseltoevoer plotseling stokte en er geen viskramen meer uit de vissersdorpjes verschenen, werden we onrustig. Wat was er aan de hand, wie leverde ons deze streek? Waarom roken we geen baklucht meer?

Moeder bleef uitzonderlijk kalm, ze attendeerde ons op de zeebries. Ze vertelde over vroeger, toen pa en zij nog jong waren en zelf hun maaltje bij elkaar moesten scharrelen. Hoe vader als een torpedojager de zee onveilig maakte, hij was slank en stoer in die jaren. Ze staarde voor zich uit en keek af en toe vertwijfeld terzijde, naar zijn bolle buik, zijn vettige veren. Ze nam ons mee de zee op, wees naar glibberige lijven, ze noemde de grijze schaduwen: schelvis, schol, tarbot. „Kijk dan jongens, daar zwemt een tong en daar wijting!” We herkenden de vissen totaal niet, we tuurden in de golven en zochten naar stukken kibbeling en andere gepaneerde hapjes. „Waar is de korst dan en waar zijn de sausjes?” zeurden we. Het eten smaakte slijmerig en we misten de bordjes, de vorkjes en de augurken. „Gadverdamme, het is nog rauw, er zit zand op!” gilde mijn zus en spuugde de vis uit. Het waren zware tijden. Gelukkig zagen we na maanden de dagjesmensen weer terugkeren. Ze liepen met een grote boog om elkaar heen, met afgedekte monden. Die lapjes vonden we later terug op het strand, een soort replica’s van de eikapsels van roggen, maar dan met print en logo. Gelukkig roken we op een gegeven moment de vettige walm weer, de viskramen gingen open. Bij de stal van Wanda werden lijnen getrokken op de stoep en de klanten vormden rijen. Vader trok geraffineerd zijn trukendoos weer open. Hij hinkte langs de rij mensen, zijn gele oog gepijnigd, half dichtgeknepen. De klanten hadden medelijden met hem, riepen „ah” en wierpen stukjes schol voor zijn poten. Daarna sloeg pa weer genadeloos toe, hij maaide brillen af en griste de gebakken vis uit kleuterhandjes. Het leven werd weer normaal en we vergaten die vreselijke tijd, maar moeder werd niet meer de oude, ze stond vaak eenzaam in de branding en tuurde in de verte.