Waarom Hermans helemaal van deze surrealistische tijd is

W.F. Hermans’ 100ste geboortejaar De charme van zijn romans ligt in zijn talent als ‘desillusionist’, stelt . ‘Alles loopt verkeerd af, en dat is okay.’ Een eeuw na Hermans’ geboorte is zijn mensbeeld actueler dan ooit.
Willem Frederik Hermans met zijn poes Sebastiaan in 1955, geportretteerd door Ed van der Elsken.
Willem Frederik Hermans met zijn poes Sebastiaan in 1955, geportretteerd door Ed van der Elsken. Ed van der Elsken/Nederlands Fotomuseum

Willem Frederik Hermans is een man die ik persoonlijk helaas nooit heb mogen ontmoeten, maar die mij, zoals zovele anderen, blijft fascineren en blijft bruskeren. En het belangrijkst van al: hij is een schrijver die we blijven lezen en waarderen – in tegenstelling tot veel van zijn taal- en tijdgenoten.

Er is iets aan het werk van Willem Frederik Hermans dat aan onze ribben blijft plakken, dat beklijft, dat onder onze huid kruipt, vandaag evenzeer als toen het werd geschreven.

Maar wat? Dat ‘wat’, dat schijnt me moeilijker te vatten.

Het heeft met zijn unieke, persoonlijke kijk op de mens en de wereld te maken, waarvan de hoofdpersonages van zijn boeken en verhalen doordrongen zijn. Een mens- en wereldbeeld waarvan ook wij, vandaag, in hoge mate doordrongen zijn.

Als Multatuli, volgens W.F. Hermans, een man was die eerder tot de achttiende eeuw behoorde dan tot de zijne, dan zou je in die zin Hermans zelf kunnen catalogeren als iemand die eerder tot de eenentwintigste, tot deze eeuw, behoort dan tot de zijne.

Als ik aan Willem Frederik Hermans denk, dan doemen altijd twee beelden op.

Art-nouveau prullaria

Het ene: Hermans, alleen, op een nacht ergens in de jaren ’60 op Terschelling, waar hij zich had afgezonderd zoals een schrijver dat af en toe hoort te doen, wanneer plots zijn onmisbare ‘Erika’ weigert te doen wat een schrijfmachine hoort te doen. Waarna Hermans het apparaat de kamer in gooit, het schopt, en in zijn razernij met zijn voet door de zitting van een stoel trapt. Een haat/liefdeverhouding met tikmachines is begonnen.

Het andere beeld: Hermans in Brussel met vrienden, de ene dag op zoek naar een voorvader van Multatuli op het monument van Waterloo; de volgende dag op zoek naar een louche café uit zijn jeugd; of op zoek naar afgedankt schrijfpapier of art-nouveau prullaria. Altijd op zoek, via restaurants waarvan de faam nauwelijks nog overeenstemt met wat er in het bord belandt, in die stad, die chaotische smeltkroes waarvan hij de grootse kleinheid zo mooi aanvoelde.

Wees gerust, het is mij niet om het Brusselse of het Belgische te doen. Cultureel patriottisme is mij vreemd, en over Hermans als ere-Belg is bovendien al genoeg geschreven. Nee, waar het mij om gaat, is om de wereld die hij daar vond en het wereldbeeld dat hij daar ontwikkelde en tot het zijne maakte: de gekoesterde desillusies van een deftige wereld aan de ene kant. Een deftige wereld die hij in het Brussel van vóór de oorlog nog had gekend, maar die op het moment dat hij er ging wonen was vervallen tot een eigenzinnige puinhoop.

En de dromerige kwaliteit van het leven in die stad. Een stad vol van vreemde mensen, elk met hun tussentalen en eigen leefwerelden, die gedoemd zijn elkaar te misbegrijpen. Een stad dus die perfect bij hem paste.

‘De mens zelf’

Hermans zei ooit: ‘Niemand zal mij missen in 2021. Misschien mijn boeken, die liggen hopelijk nog in de boekenwinkel, maar de man zelf, van vlees en been, zal niemand meer missen.’

Ik veroorloof mij op dit punt met Hermans fundamenteel van mening te verschillen. De aanhoudende aantrekkingskracht van zijn werk heeft volgens mij juist alles met ‘de mens zelf’ te maken, met het mensbeeld dat hij optekende en dat ook nu nog ‘vlees en been’ helemaal herkenbaar blijft. Meer nog, ik zou zelfs zeggen, meer herkenbaar nu, dan toen, in de periode dat het werd neergeschreven. Die periode, die tweede helft van de 20ste eeuw was groots, gedreven, abstract, ambitieus. Met andere woorden zowat het diametraal tegenovergestelde van wat de verhalen en personages van Hermans uitstralen.

Die lopen omgeven door wetenschap en mechaniek verdwaald rond in een wereld vol van ‘moedwil en misverstand’. In een onbestemd tijdsgewricht dat wonderbaarlijk aan het onze doet denken, aan de waanzinnige aanvang van onze eigenste 21ste eeuw. Een tijd waarin miljardairs de wedloop op Mars hebben ingezet en ruimtereisjes organiseren gefinancierd door hun klanten, nota bene diezelfde klanten die maandenlang de capsule van hun eigen huis niet hebben mogen verlaten, en zo soms alle zin voor tijd en ruimte lijken te hebben verloren. Een tijd van spectaculaire wetenschappelijke doorbraken, waarin zwaartekrachtgolven en zwarte gaten zichtbaar worden gemaakt terwijl er tegelijkertijd lustig gekoketteerd wordt met stupide onwetendheid en allerlei vormen van onwetenschappelijk doemdenken; alhoewel ik beter ‘domdenken’ zou zeggen.

Deze tijd ook waarin overheidsinstanties ‘onverklaarbare luchtfenomenen’ – vroeger UFO’s genaamd – plots ernstig gaan nemen en zo decennia oude samenzweringstheorieën nieuw leven inblazen, alsof er dagelijks nog niet genoeg complottheorieën door internet worden uitgebraakt. De tijd, deze tijd, onze tijd waarin Nieuw-Zeeland, als eerste land, het roken illegaal verklaart, terwijl de hele wereld net zoals in De Laatste Roker voorspeld werd (een verhaal dat zich trouwens in het jaar 2021 afspeelt), met stofmaskers rondloopt om andere doodsoorzaken ervan te weerhouden ons lichaam binnen te dringen.

‘Stille maar dodelijke dreiging’

Dat alles doet wat met een mens. In een tijd waarin verwarring overheerst, waarin openlijk aan de democratie getwijfeld wordt, en het publieke forum steeds nadrukkelijker ‘door gevaarlijke gekken omringd’ wordt. Een tijd waarin we massaal op zoek gaan naar zingeving en authenticiteit, hoewel met elk uur schermtijd blijkt hoe zinloos en illusoir die pose wel is. Een tijd waarin boven dat alles oorverdovend de ‘stille maar dodelijke dreiging’ van een ontregelde klimaathuishouding tikt die, zoals de diabolische klok uit Een Heilige van de Horlogerie, het hele gebouw onderuit dreigt te halen.

Een roman is als een andere bril waardoor je de werkelijkheid bekijkt, een nieuw perspectief om je eigen Lot mee te overschouwen. Daarom trekken de romans van W.F. Hermans ons vandaag de dag zo aan: het perspectief klopt. Of tenminste: we zijn bang dat het wel eens zou kunnen kloppen.

Zijn dubbele houding met technologie bijvoorbeeld: gefascineerde aanhankelijkheid maar ook de vrees voor slaafse afhankelijkheid. Het gevoel bediend en bedrogen te worden, niet door een kompasnaald of een elektriseermachine, of de schrijf- en fototoestellen, klokken en horloges die telkens weer in Hermans’ werk opduiken, maar door belerende computers, meeluisterende luidsprekers, mensachtige robots, selectieve en zelf-selecterende sociale media. We kunnen en weten alles, maar we begrijpen of vertrouwen niets. Alles is denkbaar maar tegelijk twijfelachtig. Alles is communicatie en tegelijk onbegrip. Hermans, de surrealist.

Maar ook Hermans, de realist past bij ons; bij ons veralgemeend gevoel van ontnuchtering; bij de (westerse) mens die in zijn eeuwige, eenzelvige zoektocht telkens weer terug naar af moet, en zich zo de ‘eeuwig bedrogene van het universum’ weet. Weerloos – misschien wat wijzer geworden door de ervaring. Tot hij zich alsnog kan verzoenen met – de rode draad van Nooit meer slapen – ‘een soort specifiek gemiddelde van ellende.’

De charme van Hermans’ romans ligt, denk ik, in zijn talent als ‘desillusionist’. Alles loopt verkeerd af… en dat is okay.

George Orwell beschreef die sensatie in Down and Out in Paris and London, het bittere maar nooit verbitterde relaas van zijn zwerversjaren op straat: ‘You have talked so often of going to the dogs – and well, here are the dogs, and you have reached them, and you can stand it. It takes off a lot of anxiety.’ Het wegvallen van hoop en ambitie maakt plaats voor andere, meer tastbare geneugten: prachtige machines, gevonden prullaria, kunst en cultuur, vrienden en restaurants, desnoods sigaretten. Als niets ertoe doet, doet alles er een beetje toe.

De 21ste- eeuwse lezer

Zelf merkte Willem Frederik Hermans dat ‘vertroostend effect’ van literatuur op, en vooral van ‘juist die boeken, die níét pogen de lezer te troosten’. De 21ste- eeuwse lezer kan wel wat vertroosting gebruiken en Hermans, aardig en gedienstig als hij was, blijft leveren.

Tenslotte blijft ook de derde Hermans, de polemist, relevant. Het is een kant van hem die ook vandaag nog gekoesterd wordt (waarbij de schrijver, zijn schrijfsels en zijn karakter als een eenheid gezien worden) maar die waarschijnlijk het lastigst is om nog te lezen. De tegenstanders van toen zijn grotendeels vergeten, de geschillen vervaagd, de Mandarijnen met de loop der tijd opgelost in het zuur.

Maar de reden waarom hij telkens weer de polemiek aanging is even belangrijk als destijds: schrijven om het denken scherp te stellen. Als manier om, botsend en beitelend, tot de essentie te komen – tot iets dichter bij de waarheid te komen dan voordien (in de mate waarin dat überhaupt mogelijk is).

Ooit zei Hermans over een kapotgeschreven slachtoffer: „Zoals een goeie kok van een koeielijk een smakelijke biefstuk bakt, zo bak ik een biefstuk van die mevrouw.”

Ed van der Elsken/Nederlands Fotomuseum

Vandaag hebben we het daar moeilijk mee: op internetfora maken we weliswaar gehakt van alles en iedereen, maar het echte debat is steeds meer aan banden gelegd en komt steeds minder tot de kern van de zaak. Gelijkhebberij en verbaal geweld heersen, maar de vakkundige botsing van ideeën wordt uit de weg gegaan. Een twistgesprek is nochtans óók een gesprek!

Honderd jaar na zijn geboorte zijn Hermans’ boeken, zoals hij had verhoopt, nog prominent aanwezig in de winkel. Ze staan nog steeds centraal en in het literaire debat. Ze doen er nog steeds toe.

Het getuigt van een enorm schrijftalent, taalgevoel en denkkracht. Een idee van hoe in het leven te staan. En dat is, een kwart eeuw na zijn dood, een prestatie die het gedenken waard is.

Dit is een licht aangepaste versie van de tekst die Guy Verhofstadt, Europarlementariër en oud-premier van België, dinsdag voorlas bij de aftrap van het Hermans-jaar in de Nieuwe Kerk in Amsterdam.