Verkijk je niet op een pak

Essay Als schrijver en columnist Maxim Februari zich een pak laat aanmeten bij een kleermaker, beseft hij dat hij eigenlijk niet genoeg heeft nagedacht over wat hij nou eigenlijk wil. „Heb ik me afgevraagd welk werk ik doe en hoeveel armslag en ademruimte ik daarvoor nodig heb?”

Een pak hangt aan elkaar van de beslissingen. Neem de gedachten die je moet wijden aan los binnenwerk. En aan jezelf. Wanneer de kleermaker vraagt of ik een hemd wil met Napolitaanse mouwinzet, zeg ik dat ik daar niet louche genoeg voor ben. Rollende revers spreken voor zich, maar voor schietplooien in een jagersjasje ben ik weer te weinig een natuurmens. En bretels… ja, wat vind ik eigenlijk van bretels?

Zulke zorgen kun je gemakkelijk onderschatten. De lengte van een broekspijp, de hoeveelheid knopen op een manchet: het lijken kwesties zonder maatschappelijk gewicht. Maar verkijk je niet. Kleding is een serieus onderwerp. Ik ken eerbiedwaardige mannen die hun nieuwe broek niet in het vliegtuig willen vervoeren en hem daarom als een adoptiehond uit Italië gaan ophalen met de auto. Ik lees dat Francesca D’Angelo in Toronto is gepromoveerd tot doctor in de filosofie met een proefschrift over de stilettohak. Het is een serieus onderwerp ondanks de sfeer van onnozelheid eromheen.

De twintigste-eeuwse kunsthistoricus Quentin Bell schrijft in zijn klassiek geworden essay over sier en opsmuk, ‘On Human Finery’, dat kleren juist vanwege hun onnozelheid belangrijk zijn. Omdat we onze kleermakersbeslissingen niet gemakkelijk kunnen verbinden met de grootse ondernemingen van de mensheid, zegt hij, zijn ze leerzaam voor wie de medemens wil begrijpen. Jawel, het is krankzinnig om je huisgenoot te vertellen dat die zijn lievelingsschoenen niet aan kan naar het feestje van de buren, maar het behoort wel tot normaal menselijk gedrag. En precies daarom is bestudering ervan essentieel.

Er moet een reden zijn dat ik heb gekozen voor deze dienstkleding, voor het uniform van de man als werkezel

Denk eens aan de knoop. Er is niets zo wild verlokkelijk als een jasje met manchetten waarvan de knopen losgemaakt kunnen worden, zodat je de mouw kunt oprollen. De Engelsen noemen dit een chirurgenmanchet, ‘surgeon’s cuff’, omdat chirurgen op deze manier ooit hun bloedende patiënten konden bijstaan zonder hun jasje te hoeven uittrekken. Voor sociologen is het nuttig te weten dat de chirurgenoplossing vanwege de uitstraling ervan tegenwoordig vooral aantrekkingskracht uitoefent op burgers die hun dagen doorbrengen achter de computer.

Alles welbeschouwd is kleding de veruiterlijking van onze dromen en idealen. Alleen al aan de etiquette rondom knopen – welke open? welke dicht? – kun je het streven van de middenklasse aflezen. In sommige tijdperken reikt die in maatschappelijk opzicht omhoog en richt ze zich naar de adel of de hogere burgerij, in andere tijdperken geeft ze weer de brui aan dat streven.

Het onderste knoopje van een jasje of vest openlaten geldt sinds de 19de eeuw als voornaam, want het suggereert dat je je een zekere slordigheid kunt permitteren. Na verloop van tijd heeft de middenklasse deze frivole nonchalance als streng voorschrift in de etiquette opgenomen. Maar voor hoelang nog? Laten mensen straks in de 22ste eeuw nog uit deftigheid knoopjes openstaan? Zullen toekomstige generaties nog plezier ontlenen aan de status van de chirurgenknoop?

Al dit gepriegel is interessant. De vraag wat wel en niet kan is interessant. Omdat de vragen mij persoonlijk niet alledaags en onnozel genoeg kunnen, heb ik een paar jaar lang gretig het modeblog The Sartorialist gevolgd van fotograaf Scott Schuman. Hij laat daar foto’s zien van opmerkelijk geklede voorbijgangers op straat en tot een tijdje terug konden lezers in de commentaarsectie met elkaar slaags raken over de kledingkeuzes. Mag je denim combineren met denim? Past een hemd met ruiten wel onder een jasje met strepen? Ik heb me indertijd flink in deze kwesties ingeleefd en me afgevraagd wat ik zelf zou doen. Al met al sta ik niet onvoorbereid bij de kleermaker op de stoep. Ik heb mijn klassieken gelezen en ben klaar om te worden opgemeten.

De kleermaker is een zaak in de grote stad waar je stoffen uitkiest en bij een kopje koffie overlegt welke kleren passen bij je carrière. Vanaf het begin besef ik dat ik niet de meest gangbare klant ben. Als ik de eerste keer voorzichtig binnenstap en me peinzend over een tweed stof buig, zegt een van de eigenaren vaderlijk: „Die is heel duur, daar hoeven we niet mee te beginnen.” Ik ben duidelijk te bespiegelend om de indruk te wekken dat ik een carrière heb.

Wat kom ik hier eigenlijk doen? Met mode heeft mijn belangstelling voor kleren niets te maken. Wel met belangstelling voor de eigen tijd en de onderlinge verwevenheid van kunst, moraal, rechtvaardigheid en economie. Mijn plan om een pak te laten aanmeten is de uitkomst van een langdurig innerlijk gesprek. Ik houd van kleren vanwege de nutteloosheid ervan, de schoonheid en pracht. Kleding als rationaliteitskritiek: je koopt een veel te duur jasje om te laten zien dat er een hoger doel is in het leven dan efficiëntie alleen.

Tegelijk moet je in dit millennium de vraag in de gaten houden hoeveel nutteloze besteding de planeet aankan. Ik heb mezelf uitgelegd dat de planeet vooral te duchten heeft van schaalvergroting en de versnelling van industriële confectie. Als ik nu voor veel geld een ambachtelijk pak aanschaf dat op mijn individuele lichaam is toegesneden en dat ik de rest van mijn leven kan dragen, moet het kunnen.

Goed. Het eerste pak dat ik door de kleermaker laat maken mislukt. Het is te klein. Het zit voortreffelijk en staat geraffineerd, maar als ik mijn bankpasje in een van de zakken doe, kunnen de knopen niet meer dicht. Ik merk het al wanneer ik de eerste keer kom passen. Geef toe, zeg ik tegen mezelf in de spiegel, het is je eigen stomme schuld. Een kleermaker is een dressuurpaard: geef je hem verkeerde aanwijzingen, dan loopt hij de verkeerde kant op.

Er valt in de paskamer geen andere conclusie te trekken dan dat ik mezelf schromelijk heb overschat. Dacht ik dat ik me had voorbereid? Ha! Misschien heb ik er een paar boeken op nageslagen, maar heb ik nagedacht over mijn leven? Heb ik me afgevraagd welk werk ik doe en hoeveel armslag en ademruimte ik daarvoor nodig heb? Wat wil ik eigenlijk, vraag ik aan mezelf in de spiegel, hoewel het voor die vraag nu een beetje laat is.

Objectief gezien is het pak natuurlijk helemaal niet te klein. Als het me lukt erin te komen, hoef ik het niet te hebben, zeiden dandy’s aan het eind van de achttiende eeuw tegen hun kleermaker. Dat heb ik althans ergens gelezen, in een verhandeling over de broekspijp, geloof ik. Broekmaten zijn in de loop der eeuwen nogal op en neer gegaan en rond 1800 was het kennelijk heel hip om op een klassiek beeld te lijken, met een broek die zo strak zat dat je niet zag dat je hem aan had. Daar zou ik best een voorbeeld aan kunnen nemen: waarom leg ik me er niet bij neer een dandy te zijn? Dan maar geen bankpasje.

De kleermaker kijkt me misprijzend aan zodra ik deze aarzelingen voorzichtig aan hem voorleg. Het is de minachting van het paard voor de ruiter. Dat ik hem een broek heb laten maken die zo krap uitvalt dat ik alleen kan gaan zitten als ik besluit de rest van de dag niet te eten, is mijn verantwoordelijkheid; ik heb de snit uitgekozen. Me daarover uitspreken is niet alleen hoogst onfatsoenlijk, het toont vooral ook mijn onkunde aan. De kleermaker blijft beleefd, maar eigenlijk zou hij me het liefst, zoals een volbloedpaard dat zijn halfwassen ruiter heeft afgeworpen, een trap na geven.

Dus. Waarom wil ik dit? Dat is de vraag die me blijft bezighouden in het jaar daarop, wanneer ik het pak draag bij lezingen en zelfs een keer op de nationale televisie in Colombia, waar ik nogal ongemakkelijk op een kubus zit. Het helpt niet dat ik bij die gelegenheid in het Spaans wordt geïnterviewd terwijl de verbinding met de vertaler in mijn oortje wegvalt. Allemachtig, waarom maak ik het mezelf zo moeilijk in het leven, kerm ik inwendig, terwijl ik me uiterlijk onverstoorbaar overeind zit te houden. Waarom blijf ik niet lekker thuis op de bank in mijn oude spijkerbroek?

Het pak oogst bewondering, dat wel. Ongevraagd komen vrouwen op recepties en borrels me vertellen hoe mooi het is. „Je bent wel erg tenger”, voegen ze er meestal aan toe. Dat laatste is ook niet echt het effect waarop ik heb gemikt.

De kleermaker verwelkomt me ondanks mijn eerdere blamage minzaam terug

Dan is er nog een diepere vraag die ik mezelf moet stellen. Want waarom zo ouderwets, zo saai, zo fantasieloos grijs? Er is weinig frivools aan deze kleren. Zeker nu een man de boel niet meer mag opfleuren met een bloem in zijn knoopsgat of een wandelstok van ebbenhout.

Dit grijze pak van mij, met zijn chirurgenmouwen, zijn korte jas en zijn lange broek, is duidelijk gemaakt om in te werken, zelfs al zit het een beetje krap. Geen pandjas om mee te zwieren, geen magistratentoga om in te schrijden, geen kimono om in te mediteren. De broek die ik draag is van oudsher voor werklieden bedoeld, voor mannen die met hun poten bedrijvig in de modder staan. Heiligen, vrouwen en notabelen dragen rokken. ‘Godzelf is een gerokt en niet een gebroekt wezen’ merkt Quentin Bell op in zijn essay over mooie kleren en hij heeft gelijk. Hoeveel weelderigs, hoeveel kleurigs heeft de schepping niet te bieden en dan sta ik hier in mijn strakke grijze pak. Er moet een reden zijn dat ik heb gekozen voor deze dienstkleding, voor het uniform van de man als werkezel.

Hoe langer ik erover nadenk, hoe serieuzer het allemaal op me overkomt. De frivoliteit van het onderwerp verdwijnt verder en verder naar de achtergrond. Het wordt me langzaamaan duidelijk dat ik mijn pak in de eerste plaats beschouw vanuit het perspectief van de plicht.

Per slot van rekening draag ik deze bewerkelijke kleren niet voor mezelf, maar uit respect voor de ander en de gelegenheid. Ik wil laten zien dat ik bereid ben me in te zetten. Oprecht aandacht besteden aan kleding vergt nu eenmaal inspanning. Een T-shirt kun je zonder voorbereidingen uit de bak vissen, maar voor een volwassen broek en een volwassen jasje moet je moeite doen. Moeite om je smaak te ontwikkelen, moeite om het geld bij elkaar te sprokkelen, moeite om je lichaam in de juiste vorm te houden zodat alles de eerstkomende jaren blijft passen, moeite om het kledingstuk te dragen, met zijn eisen en geboden, zijn te krappe broekband en zijn das. Moeite om de kleding waardig te zijn.

Kortom: afgezien van de bestelling van een penis bij de chirurg heb ik nog nooit zo’n bestudeerde beslissing genomen als de aanschaf van een pak. Er zit een diepe ernst, spiritualiteit zouden de geleerden misschien zeggen, in zulke beslissingen. Vragen over je verhouding tot de natuur, de cultuur. Wie ben je, wat wil je, hoe zie je jezelf over vijf jaar terug als handelend organisme in het universum, de hele levensbeschouwelijke systematiek van het uiterlijk.

Intussen staat de tijd niet stil en je weet wat ze zeggen, als je van je paard bent gevallen, moet je er gewoon weer op klimmen. Voor een plechtige bijeenkomst heb ik iets respectabels nodig en ik besluit het een tweede keer bij de kleermaker te wagen. Dat is trouwens nog niet zo eenvoudig, want de wereld is ingrijpend veranderd. Vanwege de coronacrisis zijn gebreide kleren nu een trend in zakelijke kringen. Vanwege de klimaatcrisis praten de economen, die het thema langdurig verwaarloosd hebben, in één klap over niets anders meer dan over de kledingindustrie. En wat is dat toch met die rare kobaltblauwe pakken die al onze politici plotseling dragen en die helemaal niemand flatteren? Ik moet mijn kennis weer van de grond af aan opbouwen.

De kleermaker verwelkomt me ondanks mijn eerdere blamage minzaam terug en meet me op. Ik ben breder geworden. En onder invloed van corona ook wilder: ditmaal wil ik de zakken op de buitenkant van het jasje laten stikken, dat heeft een enorm ruig effect. De kleermaker zegt nog iets over het pikeren van de revers. „Maar dat hoef je niet te weten”, zegt hij. En ik, die inmiddels weet dat ik niets weet, laat het pikeren aan hem over.

We gaan een duur pak maken, de kleermaker en ik, vooral omdat het deze keer nou eens echt soepel moet vallen. Dat kost geld. Ooit heb ik in een verhaal van Saul Bellow gelezen dat armlastigen in het Jiddisch ‘orm auf steiffleivent’ heten: zo arm dat hun jasje gevoerd is met de goedkoopste stof van linnen en paardenhaar. Sindsdien heb ik die uitdrukking met me meegedragen en regelmatig voor me uit gemompeld. Maar ditmaal zal er geen steiffleivent aan te pas komen, we gaan een pak maken dat comfortabel is.

Niet uit ijdelheid, daarvoor zijn we te serieus, niet om redenen van efficiëntie, daarvoor zijn we te prachtlievend. Het wordt zo soepel en comfortabel omdat we het deze keer nog kundiger door de afgestudeerden van de Meesteropleiding Coupeur willen laten verfijnen en het in de opeenvolgende passessies nog gedetailleerder willen afstemmen op mijn lichaam.

Het draagt als een pyjama, zegt de kleermaker als het klaar is. En het draagt ook als een pyjama. Ik weet niet helemaal precies wat dat betekent, in het licht van mijn calvinistische plichtsgevoel en de maatschappelijke eisen van toewijding en ernst. Maar zoveel hebben we ten slotte toch wel met elkaar bereikt: het zit lekker.