Foto Simon Lenskens

Interview

Rutger de Rijk: ‘Als ik mezelf iets moet noemen, dan ben ik boer’

Tafelmanieren Wat er op het bord ligt, zegt iets over hoe we in het leven staan. In deze aflevering: Rutger de Rijk wil fruitteler worden. „In de boomgaard ben ik mezelf.”

Een sociaal geograaf, een schapenhouder en een fruitteler zitten aan een picknicktafel. De eerste schrijft op een groot vel geconcentreerd op welke stappen hij moet nemen om zijn idee voor een voedselbos te testen. De tweede praat over zijn schapen, die hebben dit jaar heel goed gelammerd. De derde, Rutger de Rijk (27), gaat even een shaggie roken en vertelt dan verder over zijn droom: een fruitbedrijf. Een eigen boomgaard.

Met dertien anderen zit hij in de open schuur van de Stadsboerderij in Almere. Allemaal deelnemers aan de Summer School van de Flevo Campus, deze ochtend zijn ze bezig met een workshop ‘prototyping’. Allemaal twintigers, begin dertigers, die in één week zoveel mogelijk kennis opzuigen over het voedselsysteem en bij producenten in de buurt, met als doel om zelf iets met voedsel te doen. Mensen met idealen veelal, die nadenken over grote begrippen als transitie en verduurzaming.

Tot zover de overeenkomsten.

De een is souschef in een restaurant, de ander studeert ‘klimaat en beleid’. Er zijn studenten van de kunstacademie, een politiek adviseur, een diëtist, een begeleider van verstandelijk gehandicapten. Net zo divers zijn de ondernemersplannen die ze deze week op een hoger niveau proberen te krijgen. Een ‘verbindingscafé’, een handel in masa (tortillameel), een culinaire voorstelling, een ‘voedselkennisbus’, een agrarisch adviesbureau… Of een boomgaard dus.

Niet iedereen is met een concreet plan aan deze week begonnen. Maar Rutger ziet het vrij scherp. In het dorp waar hij woont, Harmelen, komt circa honderd hectare vrij, doordat de kassen die pas twintig jaar in de Harmelerwaard staan daar weg moeten. Rutger stelt zich een groene linie voor, een fruitboomgaard als buffer tussen de oprukkende stad Utrecht en het dorp aan de rand van het Groene Hart. Een boomgaard waarin mensen werken die elders moeilijk aan de slag komen, met een educatieve camping erbij en een landwinkel waarin mensen uit het dorp fruit uit de boomgaard kunnen kopen. Met naast commerciële teelt ook ruimte voor wat hoogstambomen van oude rassen. „Om het verhaal over de oorsprong te vertellen.”

Rutger is als een hond die aangelijnd voor het bos staat te springen tot hij los mag. Het liefst wil hij morgen beginnen, maar hij wil ook keurig de procedures volgen – zodat mensen niet denken dat hij al met een bulldozer voor de poort staat. Er komen burgerparticipatietrajecten, inspraakrondes en politieke besluitvormingsprocessen. En daartussen staat Rutger met zijn droom. „Ik wil het niet naast maar samen met de overheid doen. De gemeente zou mij de grond in beheer kunnen geven of laten pachten en in ruil daarvoor lever ik een maatschappelijke dienst. Met een boomgaard kunnen we het groene karakter van het dorp en de gemeenschapszin behouden.”

Al op zijn veertiende werkte hij voor een fruitteler in Harmelen. Na zijn mbo werktuigbouwkunde en zijn baan als interieurbouwer, werkt hij nu een deel van het jaar als ‘bedrijfsverzorger fruitteelt’: als een teler ziek wordt of met vakantie gaat, komt Rutger. Hij zorgt dat het snoeien en oogsten gewoon doorgaan. Precies wat hij altijd wilde, al vanaf zijn eerste dag tussen de appelbomen.

Deelnemers aan de Flevo Campus Summer School.
Foto’s Simon Lenskens

Speculaaskruiden

Weinig mensen kunnen het woord ‘passie’ zo geloofwaardig uitspreken als Rutger de Rijk. 1.98 meter bevlogenheid en overtuiging. „Als het regent, sta je met z’n allen in de regen. En als de wereld in brand staat, kan ik me tussen de fruitbomen van het nieuws afsluiten”, zegt hij. „In de boomgaard ben ik mezelf.” Daar rolt zomaar een mooie slogan uit zijn mond. Hij schrijft ’m meteen op een post-it voor zijn testplan.

Zijn opa was weliswaar bollenteler, maar van zijn ouders heeft hij de liefde voor de fruitteelt niet meegekregen. Het is ook niet zo dat Rutger nou zo vreselijk met eten bezig is, zoals veel andere deelnemers aan de Summer School. „Mijn ouders zijn geen topkoks. Aardappels, vlees en groente. Mijn vader gooide overal speculaaskruiden bij, zelfs over de sperzieboontjes.”

Je moet nu eenmaal eten, en barbecuen of uit eten gaan vindt hij leuk, maar al te veel energie steekt Rutger niet in zijn maaltijden. „Daar heb ik geen tijd voor. Mijn vriendin kookt meestal. Pakjes van Honig of een wereldgerecht van Knorr.” En bijna elke dag vlees. „We eten hier de hele week vegetarisch. Heel lekker, maar ik mis de eiwitten soms wel. Behalve gisteren, toen hadden we kebab van oesterzwammen en hoe heet die kaas, halloumi. Dat vulde prima.”

Lees ook de vorige aflevering van Tafelmanieren: ‘Ik kan me niet voorstellen dat ik nog zoveel geld aan eten zou uitgeven’

Lunchtijd. Tafels worden verschoven en gedekt. Vera Ramuz van cateraar Cousine zet paprika-venkelsoep „met een zintuigelijke ervaring” op tafel. „Ik wil jullie vragen om in stilte te eten.” Mussen tjilpen onder het dak en lepels tikken tegen de soepkommen. Ineens valt op: er zijn werkhanden en computerhanden. Meer computerhanden dan werkhanden.

Hoe ze het beleefden, vraagt Vera als het tikken van de soeplepels is gestopt. „Ik voelde connectie zonder woorden”, zegt iemand. „Het was een beetje als alleen eten, en ik vind alleen eten heel vervelend”, zegt een ander. „Ik proefde de venkel niet”, zegt Rutger.

Hij is niet zo van het zweverige, zegt hij later. De leiderschapstraining, „met blote voeten in een kring staan en doen of je wortel schiet”, vond hij het minst interessante onderdeel van de week. „Wortels onder mijn voeten, dat bestaat niet.” Als je de deelnemers in hokjes wilt plaatsen, voelt Rutger zich eerder boer dan hipster. „Ik woon in een dorp, ik ga naar de Zwarte Cross en naar schuurfeesten. Als ik mezelf iets moet noemen, ben ik een boer.”

Wat opvalt, is hoe de verschillen wegvallen als iedereen samen aan tafel zit te eten. Het voedsel- en landbouwdebat wordt hier niet op de spits gedreven. Het gaat niet over halvering van de veestapel of de stikstofcrisis. Het gaat over ideeën en oplossingen, of ze nou holistisch of commercieel zijn. De kunstenaar leert van de kok, de wetenschapper van de schapenhouder, en andersom.

Foto’s Simon Lenskens

Uitgeknepen

„Ik zal niet meer zo snel roepen dat gangbare boeren het verkeerd doen”, zegt Utrechter Mischa, terwijl hij over zijn voedselbosplannen praat. „Het systeem dwingt hen vaak tot minder duurzame keuzes.” Hij is niet de enige die deze week voor het eerst in zijn volwassen leven op een boerderij komt en zijn beeld heeft moeten bijstellen.

Een busje heeft een deel van de groep na de lunch naar een akkerbouwbedrijf bij Zeewolde gebracht. Harrie Faassen heeft net zijn verhaal gedaan: met consumptie-aardappelen is hij gestopt, viel niks meer mee te verdienen. Hij was in een ver stadium met omschakelen naar biologisch, maar het maakte hem onrustig om ziekten en plagen moeilijker te kunnen beheersen. Biologische boeren, zegt hij, worden bovendien net zo uitgeknepen door de supermarkt als gangbare. Zijn overtuiging is dat hij als gangbare teler óók verantwoord bezig is. Maar de media – nu gaat zijn stem omhoog – die denken nog steeds dat akkerbouwers niks anders doen dan spuiten, terwijl een boer minder mag dan een gewone burger in zijn achtertuin.

Rutger kijkt er niet van op. Hij kent de misverstanden bij consumenten en de frustraties van boeren uit de praktijk. „Consumenten eisen van alles, maar ze weten vaak niet dat voor biologische fruitteelt bijvoorbeeld ook koper wordt gebruikt voor gewasbescherming.” Voor Rutger is biologisch niet de heilige graal, zegt hij, terwijl hij met de anderen bij wijze van stage onkruid tussen de winterpenen wegtrekt. „Verduurzamen is een gegeven, dat moet iedereen. Maar in mijn plan staat de maatschappelijke waarde voorop.”

Boven alles zijn het de fruitbomen die trekken. In de akkerbouw ziet hij zichzelf niet terechtkomen. „Wortelen hebben maar één seizoen, een fruitboom verzorg je jarenlang. Als je nu snoeit, ben je al bezig met de oogst van volgend jaar.” Zoals sommigen niet op pad gaan zonder zakmes, zo heeft Rutger zijn snoeischaar nog in zijn rugzak.

Vraag naar zijn favoriete fruit en hij zegt: „Om te eten of te telen?” Kersen zijn mooi omdat je er een goede prijs voor kunt krijgen. Een appelboom vindt hij prachtig om te zien, „maar een perenboom is leuker in de snoei. Statiger, stoerder. Een appelboom laat het meer hangen.” Een Elstar vindt hij de mooiste appel, „omdat-ie zo oer-Hollands is”. Maar een Delcorf vindt hij smakelijker. „Die is zoet en fris. Hij heeft meer oemf.”

Een boomgaard is iets anders dan een voedselbos, waarbij de natuur zoveel mogelijk de vrije hand krijgt. Maar wie met bomen wil werken, moet een lange adem hebben. Alleen al om te kunnen beginnen en dan om te oogsten. Mischa laat zich er niet door ontmoedigen: „Een boom planten is een daad van optimisme.”

Rutger kan zich wel vinden in die uitspraak, zegt hij later aan tafel, met op zijn bord het enige stukje vlees van de week: entrecote van een Marchigiana-koe van de Stadsboerderij. Maar Rutger koestert zijn eigen spreuken en levenslessen. Hij haalt er eentje van stal die hem helpt zich niet te laten weerhouden door alles wat er mis kan gaan. „Vaak bu-j te bang.” Een wijsheid van Normaal uit de Achterhoek, ooit het thema van de Zwarte Cross. „Ik ben deze week alleen maar zekerder van mijn zaak geworden. Ik ga dit gewoon rocken.”