Iets geven aan een ander, dat maakt gelukkig

Ykje Helpt Deze zomer helpt het leven iets leuker of gemakkelijker te maken. Doe wekelijks mee met een oefening uit de positieve psychologie. Deze week: iets geven aan een ander.

U heeft er vast weleens van gehoord. Mensen die een nier doneren. En dan niet aan familie – wat al fenomenaal altruïstisch is. Nee, aan een volslagen onbekende.

Abigail Marsh, hoofddocent sociale psychologie aan Georgetown University, deed onderzoek naar deze samaritanen. Waren ze anders dan andere mensen?

Marsh merkte al snel dat ze inderdaad met buitengewoon aardige types te maken had, vertelt ze in een levendig interview met Laurie Santos, cognitiewetenschapper aan Yale en maker van The Happiness Lab-podcast (aflevering: Psychopaths and Superheroes).

Ten eerste waren veel donoren bereid tijd en energie te verlenen aan haar onderzoek, iets wat bij eerdere studies van Marsh onder andere groepen vaak moeizaam was gegaan. Bovendien kwamen ze vaak véél te vroeg voor hun afspraken. Zo respectvol gingen ze om met andermans tijd.

Uit hersenscans bleek waarom: hun amygdala’s, twee kleine hersendelen die onder andere belangrijk zijn voor het kunnen inleven in de emoties van anderen, waren gemiddeld 8 procent groter dan die van doorsnee mensen.

Marsh vroeg zich vervolgens af: is zo’n altruïstisch brein aangeboren, of aangeleerd? Ze ontdekte via ander onderzoek, onder kinderen jonger dan twee, dat de meesten van ons vrijgevig worden geboren. Maar daarnaast valt het óók te trainen. Als mensen goede daden verrichten, wordt de kans namelijk groter dat ze later opnieuw onbaatzuchtig zullen handelen.

De meeste orgaandonoren bleken stap voor stap steeds guller geworden

De meeste orgaandonoren bijvoorbeeld, bleken stap voor stap steeds guller geworden. Velen waren lang geleden begonnen met bloed doneren, later soms ook beenmerg. Ze deden vaak vrijwilligerswerk, of hadden pleegkinderen. Een nier opgeven voelde voor hen niet meer als een grote opoffering. Als ze een mensenleven konden redden, terwijl ze zelf waarschijnlijk binnen drie weken hersteld zouden zijn, met een vrij klein risico op complicaties – waarom niet?

Interessant genoeg maakten deze samaritanen niet alleen een ander mens dolgelukkig, maar óók zichzelf. Veel donoren waren jaren later nog tot tranen geroerd als ze Marsh vertelden hoe blij ze waren dat ze een ander hadden kunnen helpen: „De meeste donoren zeiden dat ze, als dat had gekund, nog honderd nieren hadden weggegeven.”

Geven maakt gelukkig – dat is ook in vele andere onderzoeken gebleken. In één experiment kregen voorbijgangers op straat 10 dollar. Ze moesten het geld binnen 24 uur aan zichzelf uitgeven, óf aan iemand anders. De tweede groep was achteraf veel blijer. Zelfs mensen die niet altijd voldoende eten konden kopen, bleken blijer te worden van geven dan van nemen.

Als laatste deel van deze serie gaan we plannetjes bedenken om anderen te helpen. Niet zozeer met de intentie om zelf gelukkiger van te worden – al kan dat een prettige bijwerking zijn. Een maand lang iedere week één goede daad, dat is het idee.

Wat u geeft – geld, tijd, aandacht, uw talent – maakt niet uit. Vergeet alleen niet op te schrijven wát u wilt doen en wanneer. Uit de gedragswetenschap blijkt dat het noteren van een concreet plan de kans enorm vergroot dat we het daadwerkelijk doen.

En weet, u hoeft geen nier weg te geven. Al doet u dat uiteindelijk misschien met plezier.