Een variabel pensioen: wat zijn de voor- en nadelen ervan?

Variabel pensioen Je pensioen kan flink hoger uitvallen als het pensioenkapitaal belegd blijft na je pensionering. Toch kiezen nu nog weinig mensen voor dit variabele pensioen. Maar nieuwe wetgeving kan hier straks verandering in brengen.

Illustratie Pepijn Barnard

Had hij daar nou al die jaren zo hard voor gewerkt? Twee ton pensioenkapitaal opgebouwd en dan een uitkering van 627 euro per maand bruto.

Financieel planner Jeroen Wolfsen had onlangs „een mopperende meneer” aan de telefoon, die teleurgesteld was over het inkomen dat zijn premiepensioen hem na zijn pensionering blijkt op te leveren. Wolfsen kan het zich voorstellen: een snelle rekensom leert dat deze man van 66 jaar met een twee jaar jongere echtgenote pas na bijna 27 jaar zijn twee ton terug heeft. Daarbij is tussentijds rendement niet meegerekend.

De belangrijkste pechfactor in deze situatie is de lage rente. Met een premiepensioen bouw je tijdens je werkende leven een kapitaal op dat vrijvalt zodra je de pensioenleeftijd bereikt. Daarmee koop je vervolgens zelf een uitkeringsproduct. Pas op dat moment blijkt hoe hoog het pensioen uitpakt. De standaard is een levenslang vast bedrag per maand, en daarvoor is de rentestand op dat keuzemoment bepalend. Ook andere zaken spelen mee, zoals levensverwachting, leeftijd van de partner en de kosten die een aanbieder – meestal een verzekeraar – rekent. Maar de rente geeft de doorslag. Is die laag, zoals nu, dan heb je gewoon pech. Voor de rest van je leven.

Dan lijkt het gunstiger om een variabel pensioen te kiezen, wat sinds september 2016 een optie is. Daarbij krijg je het eerste pensioenjaar een deel van het opgebouwde kapitaal uitgekeerd, en blijft de rest belegd op de beurs. Elk jaar wordt, op basis van het behaalde rendement, opnieuw vastgesteld hoe hoog het maandelijkse pensioen uitvalt.

Jeroen Wolfsen verwerkt op zijn financiële vergelijkingssite Moneywise.nl de vijf verzekeraars die de variabele optie aanbieden: Nationale-Nederlanden, Allianz, ABN Amro, Aegon en ASR. De hoogste aanbieding voor de man in het eerdere voorbeeld is 806 euro per maand in het eerste jaar. Dat is bijna 29 procent meer dan de vaste uitkering. Gemiddeld wordt bij een variabel pensioen uitgegaan van een ongeveer 20 procent hogere uitkering in het eerste jaar. Die maandelijkse uitkering zal daarna dus wel jaarlijks fluctueren.

Hoger risico, hogere uitkering

Een mooi product, zo noemt Roel Mehlkopf het variabele pensioen. Hij is onderzoeker bij pensioendenktank Netspar en pensioenadviseur bij Cardano. Destijds was hij op het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid betrokken bij het opstellen van de wet die deze pensioenvariant mogelijk maakte.

Mehlkopf: „Het risico is wat hoger dan bij een vaste uitkering, maar daarvoor word je beloond met een gemiddeld hogere uitkering. Als je slecht slaapt van een jaarlijks wisselend inkomen, of als je dit product moeilijk te begrijpen vindt, moet je het niet doen. Maar voor de meeste mensen is het variabele pensioen de meest rationele beslissing.”

Toch maken weinig mensen gebruik van deze mogelijkheid, blijkt uit onderzoek van toezichthouder Autoriteit Financiële Markten (AFM). De meeste werkende Nederlanders bouwen een gegarandeerd pensioen op bij een pensioenfonds, doorgaans een middelloonregeling. Zij hebben bij pensionering niets te kiezen.

Maar van de mensen met een premieregeling kiest nu slechts 6 procent voor variabele uitkering van het vrijkomende pensioenvermogen.

Vast pensioen is nu nog de standaard, maar dat kan in 2023 gaan veranderen

Waarom zo weinig? Volgens onderzoeker Mehlkopf simpelweg omdat de vaste uitkering bij verzekeraars de standaardkeuze (in jargon: de default) is.

Hij verwacht een ommekeer als verzekeraars vanaf 2023 ook de variabele variant als standaard mogen aanbieden. Daarvoor heeft demissionair minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) een wetsvoorstel gedaan. Pensioenfondsen mogen dat nu al, en sommigen doen dat ook. En dan blijkt een ruime meerderheid voor het variabele pensioen te kiezen, aldus Mehlkopf.

Met het nieuwe pensioenstelsel, dat in 2027 moet ingaan, zullen sowieso meer pensioenfondsen de premieregeling gaan aanbieden, zo is de verwachting. Mehlkopf: „Dan komt het variabele pensioen echt voor veel meer mensen beschikbaar.”

Gokje met pensioengeld

Dat er nog zo weinig animo is voor doorbeleggen tijdens de pensioenjaren, zal ook met de risico’s samenhangen. De meeste mensen willen geen gokje nemen met hun pensioengeld.

Begrijpelijk, vindt adviseur Wolfsen, al relativeert hij die zorgen ook. De AFM ziet erop toe dat aanbieders de risico’s dempen, bijvoorbeeld met een behoedzame beleggingsstrategie of door beurswinsten en -verliezen uit te smeren over meer jaren. Daarnaast verschillen de producten van de diverse verzekeraars nogal, en kun je kiezen voor een voorzichtiger beleggingsbeleid.

Zo bood Aegon tot voor kort altijd de hoogste uitkering, maar het belegde dan ook 68 procent van het pensioenkapitaal in aandelen. Deze zomer introduceerde de verzekeraar twee producten die defensiever beleggen. Allianz steekt bijvoorbeeld maar 33 procent van het pensioenkapitaal in aandelen. Nationale-Nederlanden reserveert 40 procent van het kapitaal voor een gegarandeerde uitkering en investeert van het overige bedrag 68 procent in aandelen.

Nog een optie is, volgens onderzoeker Mehlkopf, bescheiden beginnen: met een pensioenuitkering die even hoog is als het vaste pensioen zou zijn. Dan zie je het eerste jaar dus af van de extra uitkering die je bij een variabel pensioen krijgt. „Met die hogere uitkering eet je in het eerste jaar in feite al toekomstig rendement op. Daardoor gaat je pensioen extra hard omlaag als de beurs tegenvalt. Als je even wacht, stijgt je uitkering pas als de beleggingen ook echt goed renderen en zorg je voor minder fluctuaties als het tegenzit.”

En hoe degelijk zijn de aanbieders zelf? De AFM schrijft in elk geval voor met welke rendementen zij moeten rekenen, zodat mensen niet te hoge pensioenen krijgen voorgespiegeld. De kosten werken ook door in de uitkering. Die zijn volgens financieel planner Wolfsen bij alle aanbieders op de Nederlandse markt schappelijk en zij zijn er transparant over. Wel kunnen de startkosten nogal wisselen, van 250 tot 2.500 euro bij hogere pensioenkapitalen.

Wolfsen: „Je moet een beetje vertrouwen hebben, ook in de toezichthouders. Ik heb dat wel. De laatste jaren hebben we gemerkt dat de AFM kritisch meekijkt met pensioenverzekeraars en in actie komt als er iets aan schort. Een woekerpolisaffaire kan echt geen verzekeraar zich meer veroorloven.”