Recensie

Recensie Boeken

Een waarachtig en realistisch verhaal over de ‘onbetwiste hoofdstad van de zelfverbranding’ in Tibet

Tibet Journaliste Barbara Demick onderzocht de zelfverbrandingen in Tibet. Ze sprak met de monniken van het beroemde Kirti-klooster en met (gevluchte) bewoners van het stadje Ngawa.
EPA / Sanjay Baid

Hoewel het voor journalisten moeilijk is om met toestemming van de Chinese regering het Tibetaans Hoogland te bereiken, had de Amerikaanse correspondent Barbara Demick haar zinnen gezet op Ngawa: de ‘onbetwiste hoofdstad van de zelfverbranding’. De zelfverbrandingen zijn sinds 2009 een protest tegen de overheersing van Tibet door China, dat in 1950 een einde maakte aan de onafhankelijkheid van de regio. Ze zijn ook een pleidooi voor de terugkeer van de Dalai Lama, die sinds 1959 in het Indiase Dharamsala in ballingschap leeft.

Demick wilde de frustratie en machteloosheid van de zelfverbranders onderzoeken – voor zover die bleek uit nagelaten bekentenissen en getuigenissen van vrienden of familie. In De laatste prinses koos ze voor het nog steeds streng bewaakte Ngawa als pars pro toto voor iets groters: de onafhankelijkheid van Tibet. Diezelfde methode paste ze eerder toe in Nothing to Envy: Ordinary Lives in North Korea, over één stad om de geslotenheid van heel Noord-Korea te vangen en in Logavina Street over de bewoners van één straat in Sarajevo die staat voor het uiteenvallen van Joegoslavië.

Nu Ngawa dus. In 2013 lukte het Demick voor het eerst – ineengekrompen zittend op de achterbank van een zwarte taxi en verkleed als een Chinese met gezichtsmasker – de op 3350 meter hoogte gelegen stad te bereiken. Er waren toen 127 gevallen bekend van zelfverbranding. In Ngawa zelf sprak Demick mensen die ze niet bij naam noemt om ze niet in gevaar te brengen – de mensen die wel vrijuit spraken waren gevlucht naar een vrijer deel van Tibet of naar India.

Anti-regeringsprotesten

Demick schittert in het dicht op de huid zitten van haar personages. Alles wil ze van hen weten tot en met hun gevoelens toe. Bijvoorbeeld van de jonge monnik Djongtuk; hij was veertien tijdens de heftige anti-regeringsprotesten van de monniken in 2008. Alleen op zijn kamer was hij doodsbang toen het Chinese Volksbevrijdingsleger ‘zijn’ Kirti-klooster in Ngawa omsingelde en niemand erin of eruit mocht. Volgens Demick werden 600 monniken gearresteerd. Van de martelingen zou hij pas later horen, maar het was duidelijk dat de Communistische Partij korte metten met het boeddhistische geloof wilde maken. Djongtuk maakte twee zelfverbrandingen van dichtbij mee. Later – hij was zelf al gevlucht naar Dharamsala – hoorde hij ook dat zijn halfbroer zich had verbrand.

De familieleden van zelfverbranders, vertelde een oudere monnik, werden door de autoriteiten onder druk gezet om te verklaren dat de zelfverbranders depressief waren. Deden ze dat niet dan werden ze gearresteerd wegens ‘betrokkenheid bij de dood van hun familielid’. Natuurlijk ontmoette Demick in India ook de boeddhistische ‘laatste prinses’ Gonpo wier levensverhaal als een rode draad door het boek loopt. Ze maakte mee hoe haar vader, koning van het Mei-koninkrijk met Ngawa als hoofdstad, in 1958 werd afgezet door het Chinese Volksbevrijdingsleger. Zelf werd Gonpo verbannen naar een onherbergzaam deel van China. Daar ontmoette ze de Chinese man met wie ze later trouwde en kinderen kreeg. Toch wilde ze terug naar haar boeddhistische verleden. Met haar oudste dochter ging ze naar India om te werken voor de Dalai Lama. Het is een van de krachtige voorbeelden waarmee Demick de breuklijn, die tussen China en de Tibetanen loopt, bijeenbrengt in de persoon van Gonpo. Ze zou haar in China achtergebleven man pas zestien jaar later weer zien, en haar jongste dochter na 24 jaar.

Innerlijke Dalai Lama

Luchtiger is het verhaal over Demicks ontmoeting met de Dalai Lama in 2015, vlak voordat hij tachtig werd. Toen ze tijdens een reis naar Ngawa foto’s van die ontmoeting liet zien, werd ze meteen beschouwd als een soort ‘officiële afgezant’. Dat had gevolgen: toen ze een paar dagen later wilde vertrekken, kwam er een groepje Tibetanen op haar af die haar overstelpten met cadeaus voor de Dalai Lama, die in Los Angeles zijn verjaardag zou vieren: zakken vol met gerstemeel, gedroogde groenten, zakjes momo’s met vleesvulling. Ze laadden het allemaal ongevraagd in haar taxi. Demick wierp tegen dat ze in New York woonde en het eten bovendien niet kon meenemen in het vliegtuig. Maar de jongens bleven aandringen en er zat niets ander op dan met een volgeladen auto weg te rijden. Zij ging daarop te rade bij haar ‘innerlijke Dalai Lama’ en vroeg de chauffeur af te slaan bij een volgend dorp waar ze alle geschenken op het binnenplaatsje van het huis van een straatarme invalide vrouw achterliet.

Aan de hand van Ngawa wordt op een zeer levendige manier de geschiedenis verteld van Tibet in de afgelopen decennia. Demick brengt het leven van de Tibetaanse monniken en hun families zo waarachtig en gedocumenteerd tot leven, dat het bij de standaardwerken over Tibet niet zou misstaan. Haar grootste gave: ze oordeelt niet, ze luistert en kijkt. De laatste prinses is daardoor geen boeddhistisch pamflet geworden, maar een realistisch verhaal over de redenen van zelfverbrandingen, de roep om gelijke rechten en meer onafhankelijkheid. Vooral het recht om zich vrij te verplaatsen is belangrijk, of zoals een Tibetaanse zakenman stelde: ‘Ik heb zo’n beetje alles wat ik maar kan wensen, behalve mijn vrijheid’.