Delinquenten in lichtste zorg gaan vaakst de fout in

Recidive Voor het eerst is in kaart gebracht hoe vaak veroordeelden een delict plegen tijdens hun forensisch zorgtraject.

Tbs-kliniek in Utrecht.
Tbs-kliniek in Utrecht. Foto Olivier Middendorp

Een deel van de delinquenten met een psychische stoornis die na hun veroordeling vanuit huis worden behandeld, zou vanwege het gevaar voor de samenleving eigenlijk zorg nodig hebben in een kliniek. Zij ontvangen de lichtste zorg met het minste toezicht, maar plegen tijdens hun traject relatief vaak een ernstig delict. Dat blijkt uit een onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) naar recidive in de forensische zorg.

Voor het eerst is hiermee in kaart gebracht hoe vaak veroordeelden een delict plegen tijdens hun forensisch zorgtraject. Het onderzoek is deels voortgekomen uit de maatschappelijk onrust die ontstond na de moord op de 25-jarige Anne Faber in 2017. De dader, Michael P., pleegde zijn delict terwijl hij in een forensische kliniek zat maar ook vrijheden kreeg in het kader van zijn resocialisatie.

Het WODC, onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid, analyseerde alle trajecten tussen 2013 en 2017 van in totaal 44.578 delinquenten. De helft werd vanuit huis behandeld, een deel in een kliniek, gevangenis of mengvorm. Het WODC bekeek ook alle strafzaken waarin deze delinquenten werden veroordeeld voor een delict gepleegd tijdens hun zorgtraject, 30.344 strafzaken in totaal. De onderzoekers concludeerden dat in 37 procent van alle forensische zorgtrajecten delinquenten opnieuw de fout in gingen. In ruim 70 procent van de gevallen waren het lichte vergrijpen, zoals diefstal, vernieling. In 5 procent betrof het een „zeer ernstig” delict, zoals zware mishandeling, diefstal met geweld of een zedendelict. En, 142 keer, een (poging tot) doodslag of moord.

Bijna de helft van alle recidive vond plaats in de periode dat de rechter het vonnis had uitgesproken maar geen zorg werd verleend, noch vanuit huis, noch in een kliniek. Dan wachtte de delinquent bijvoorbeeld thuis totdat er een zorgplek was en pleegde die intussen een delict.

Lees het interview met de onderzoeker van het WODC: ‘Delinquent wordt misschien te makkelijk thuis behandeld’

Verkeerde risico-inschatting

Opvallend, schrijft het WODC, is ook het aandeel zeer ernstige delicten onder delinquenten die thuis werden behandeld. Zij kregen de lichtste vorm van zorg, met het minste toezicht, maar pleegden ruim tweemaal zo vaak een ernstig delict als mensen in een kliniek. Dit duidt op een verkeerde risico-inschatting: zij hadden mogelijk onder strenger toezicht geplaatst moeten zijn.

Tot in de jaren 90 kwamen de meeste delinquenten met een psychische stoornis na veroordeling in een tbs-kliniek terecht. Inmiddels is dat aandeel door veranderde inzichten in de psychiatrie en door bezuinigingen slechts 4 procent. De meeste forensische zorgtrajecten bestaan nu uit behandeling vanuit huis of deels in een kliniek. ‘De patiënt op de juiste plek’, is het achterliggende idee van de wetgever. Het levert meer bewegingsvrijheid op voor de patiënt, maar ook minder toezicht.

Interview onderzoeker pagina 8