Tbs-kliniek in Utrecht.

Foto Olivier Middendorp

Interview

Delinquenten in de lichtste zorg plegen relatief vaak ernstig delict

Klaus Drieschner Verreweg de meeste delinquenten met een stoornis worden nu behandeld buiten een tbs-kliniek. Maar zij gaan wel vaker opnieuw de fout in.

Als therapeut in een forensische kliniek keek Klaus Drieschner soms met meelij naar patiënten. ‘Ach, deze omgeving is veel te heftig voor jou’, dacht hij, wetende dat een deel van zijn patiënten meer baat had bij een open setting.

Maar dat was in de jaren negentig, toen zowat iedereen met een psychische stoornis na een veroordeling belandde in de tbs.

Tijden veranderen. Vanuit de geestelijke gezondheidszorg, de verslavingszorg ontstonden nieuwe behandelvormen, soms vanuit huis, soms in een kliniek. Van alle delinquenten met een stoornis wordt nu nog slechts 4 procent behandeld in een tbs-kliniek. Onder het mom ‘de patiënt op de juiste plek’ tuigde de forensische zorg een gebalanceerd systeem op waarin delinquenten niet te veel, maar ook niet te weinig zorg ontvangen. Zodat, is althans het doel, voldoende ruimte is voor resocialisatie – dat miste in het oude systeem – én voor toezicht.

Ook de loopbaan van Drieschner nam een draai. Als onderzoeker voor het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, onderdeel van het ministerie van J&V, is hij betrokken bij de eerste grootschalige data-analyse naar recidive in de forensische zorg. Het onderzoeksprogramma kreeg extra prioriteit met de zaak-Michael P., die in 2017 tijdens zijn verblijf in een kliniek de 25-jarige Anne Faber om het leven bracht. Kernvraag: hoe vaak komt het voor dat iemand tijdens zijn behandeling opnieuw de fout in gaat?

In het onderzoek, vrijdag gepubliceerd, analyseerde Drieschner alle strafzaken tussen 2013 en 2017 waarbij de dader tijdens het delict in een forensisch zorgtraject zat. De in totaal 44.578 delinquenten in de database waren tijdens hun traject betrokken bij 30.344 strafzaken die eindigden in een veroordeling. Drieschner berekende dat in 37 procent van alle forensische zorgtrajecten werd gerecidiveerd. Het leeuwendeel, ruim 70 procent, betrof lichte vergrijpen: diefstal, vernieling, delicten tegen de openbare orde. Een klein deel, zo’n 5 procent, waren zeer ernstige vergrijpen, waaronder 142 keer poging tot moord of doodslag en 72 keer aanranding of verkrachting.

Lees het bijbehorende nieuwsbericht: Delinquenten in lichtste zorg gaan vaakst de fout in

En, valt het u mee of tegen?

„Als je denkt aan ál die delicten, dan kun je zeggen: dat valt niet mee. Anderzijds: als je alle zorgjaren bij elkaar optelt, dan is het jaarlijks één delict per drie patiënten. En een aanzienlijk deel van de recidivisten had al meer dan tien strafzaken op zijn naam voordat ze aan het zorgtraject begonnen. Die zullen niet direct stoppen. Wat wel opvalt: het relatief hoge aantal ernstige delicten door justitiabelen die niet in de kliniek maar vanuit huis worden behandeld. Zij ontvangen de lichtste zorg met het minste toezicht, maar ze plegen tijdens hun traject tweemaal vaker ernstige delicten.”

Begrijpelijk toch, als je meer vrijheid hebt?

„Deels wel. Maar je vraagt je af: zaten deze mensen wel op de juiste plek? Hadden ze niet in een kliniek met meer toezicht moeten zitten? Kijk, je kunt echt niet alles voorkomen. En zo’n Michael P.-zaak is uitzonderlijk, vanwege de aard van het delict en de maatschappelijk ophef, ook in vergelijking met de ernstige delicten in deze database. Maar bij een bepaalde groep had de indicatiestelling misschien beter gekund.”

Hoe dan?

„De zorg vanuit huis, of deels thuis, is een zegen. De recidive na verblijf in een gevangenis is hoger, en ook die na verblijf in een kliniek. Wie daar uitstroomt, heeft vaak geen woning, geen werk, geen sociale contacten. De kans dat het dan misgaat, is veel groter. Maar misschien wordt nu soms net te makkelijk gekozen voor behandeling thuis. Misschien ook omdat het goedkoper is, en makkelijker te organiseren dan een plek met meer toezicht.”

Waarom is het zo moeilijk om iemand op de goede plek te krijgen?

„Dat is niet moeilijk, het is moeilijk om iederéén op de goede plek te krijgen. Dat heeft te maken met juiste risico-inschatting, aanbod van behandelplekken, maar ook met organisatie. Uit de data-analyse blijkt ook dat relatief veel recidive plaatsvindt in de periode tussen het vonnis en de daadwerkelijke plaatsing. Daar zitten soms weken, maanden tussen. Die tijd zou je moeten verkorten.”

Werkt dit systeem dan wel?

„Criminaliteit is nu eenmaal vaak recidive-criminaliteit. Of je moet mensen voor lange tijd opsluiten totdat ze de natuurlijke leeftijd bereiken om te stoppen, 55 à 60 jaar. Maar ikzelf vind dat disproportioneel.”