Recensie

Recensie Boeken

De rampspoed bracht ook welkome onthechting

Henk Pröpper Verhuisd naar Parijs en dan in een lockdown terechtkomen mét hartklachten. Gelukkig kon de uitgever en essayist bij zijn favoriete schrijvers en denkers terecht. Hoe vervelend wás die tijd?

Wie net als Kierkegaard vindt dat het leven vooruit moet worden geleefd en achteraf begrepen, die zit al anderhalf jaar met de gebakken peren. Waar kan dat voorwaartse leven sinds maart vorig jaar nog naartoe?

Ook essayist en voormalig uitgever Henk Pröpper (1958) ontkwam niet aan de noodgedwongen afzondering, de stilte en de bezinning. Bovendien kreeg hij hartproblemen, waardoor hij zijn nieuwe woonplaats Parijs schuifelend tot zich moest nemen. Inwoners van Frankrijk mochten zich tijdens een lockdown anderhalve kilometer en later maar een kilometer buiten hun woning begeven, waardoor de gulzige geest van Pröpper het met de vaak over het hoofd geziene wereld van plaquettes, gedenkstenen en gebouwen moest doen. Het bracht hem in een mentale, contemplatieve staat. Terug naar zijn jongere ik, waarin vooral de Franse literatuur hem vormde en hij nog niet werd gedomineerd door een volle agenda.

Soms komt Pröpper wat dweperig en egocentrisch over, met ietwat naïeve gedachten over hoe fijn men het toen en toen met elkaar moet hebben gehad en een overmatig gebruik van ‘ik’. Schrijvend over Simenons Maigret staat er: ‘En nu sta ik zo ongeveer onder zijn raam, en ik denk: van de politie heb ik niets te vrezen.’ In een iets andere formulering zou het net wat meer over Maigret gaan. Maar dit zijn kleine ergernissen. Want Pröpper beschikt over een bezonken kennis van zijn lievelingsschrijvers en -denkers en weet je in een paar pagina’s voor ze te enthousiasmeren. De plichtmatigheid die je in veel andere non-fictie aantreft is hier vrijwel afwezig; Pröpper schreef dit – dat voel je aan alles – omdat het zich aan hem en zijn pacemaker opdrong. Hij put hierbij uit een liefde waarvan hij de intensiteit misschien wel lang was vergeten.

Verslaafd

Soms slaat de aangehaalde literatuur op hemzelf, soms op de situatie tijdens de pandemie. Zo wordt Balzac besproken als het gaat om de komst van de ambitieuze provinciaal naar de stad en een boek over het beleg van Leningrad om te tonen hoe mensen zich staande houden in zware tijden. Verfrissend is dat Pröpper ‘de’ literatuur zonder reserves ziet als een bron van inzicht en kennis. Je hebt beroepslezers die alleen maar lezen omdat ze er verslaafd aan zijn, maar daar doet Pröpper niet aan mee.

Ik moest bij Hartslag 27 af en toe aan het begrip Ostalgie denken, aan het verlangen van voormalige Oost-Duitsers naar een tijd die we toch vooral als vervelend kenmerkten. Straks, alles weer ‘kan’ en Parijs weer vergeven is van de mensen, zal Pröpper ongetwijfeld nog eens terugverlangen naar de rampspoed die ook een welkome onthechting bracht. Want zo laat zijn boek zich interpreteren, als een omarming van het onvolledige, van het halve glas, van de beperking. Ook de opgenomen verhalen over zijn ouders passen hier wonderwel bij. Vader die in Korea diende en daarna niet zo nodig meer hoefde te reizen, moeder die idolaat was van de Franse cultuur, maar nooit in het land zelf belandde. Het gezin raakte ooit tot aan de Ourthe, in de Ardennen. Aan de andere kant van de rivier, zei Henks moeder smachtend, daar lag Parijs. Betoverd zwom haar zoon in het halfduister naar de overkant, liep de struiken in en tuurde in de verte. Zag hij de Eiffeltoren? Toen voelde hij wat langs zijn benen kriebelen. Maden. Hij bleek in het karkas van een overleden koe te staan. Betovering verbroken.