Opinie

De duistere vriendschapsbanden van Hermans

Michel Krielaars

‘Zlaap zacht baaz, dat doe ik ook’ las ik dinsdag in de Nieuwe Kerk in Amsterdam boven de afbeelding van de kat op de zojuist onthulde gedenksteen voor W.F. Hermans. Die woorden ontroerden me. Niet omdat ik zelf een poes heb en weet hoe je je aan zo’n diertje kunt hechten, maar omdat ik ineens de 100-jarige schrijver op zijn aardigst voor me zag. Verdwenen was de brombeer die me in 1985 uitfoeterde, toen ik hem als stagiair bij het Cultureel Supplement over de slordigheden in zijn dure kopij belde.

Op 1 september 1921 werd Hermans in Amsterdam geboren, op vijftig meter van waar ik als student op kamers woonde. In de oorlogsjaren kwam hij in mijn huidige huis bij Louis van Gasteren over de vloer, die er in de badkamer een Joodse onderduiker zou doodslaan. Wat Hermans daar deed is me een raadsel, alleen al omdat Van Gasteren inwoonde bij een medewerkster van de SD, wier tweelingzus zijn minnares was. Nog intrigerender wordt het als ik aan Fons Rademakers denk, de zwager van Van Gasteren, die later De donkere kamer van Damocles zou verfilmen en toen zei dat die roman over moedwil en misverstand geheel strookte met zijn eigen beleving van de oorlog. Opmerkelijk daarbij is dat Rademakers met zijn vrouw, Josephine van Gasteren, die volgens onderzoekers Eric Slot en Peter Kroesen ook een verhouding had met SD-chef Willy Lages, bij mij om de hoek bij een SD-agent in huis woonde. Ze waren zelfs getuigen op zijn huwelijk. Door die duistere vriendschapsbanden kom ik Hermans dan ook vaak tegen, alsof hij mijn buurman is die een geheim met zich meetorst.

Willem Frederik Hermans is een van onze grootste schrijvers. Als hij niet zo’n moeilijk karakter had en de vertalingen van zijn werk niet zo zou hebben tegengewerkt, was hij misschien net zo’n literaire wereldster geworden als Graham Greene, Günter Grass of Louis-Ferdinand Céline. Maar hij hield er nu eenmaal van om voortdurend zijn eigen glazen in te gooien door met iedereen ruzie te maken.

Tegelijk met zijn postume huldiging in Amsterdam, de stad die hem in 1986 in de ban deed vanwege zijn bezoek aan Zuid-Afrika ten tijde van een culturele boycot, verscheen de Engelse vertaling van zijn Herinneringen van een engelbewaarder, een roman die zich afspeelt in de meidagen van 1940 als de Duitsers ons land binnenvallen. Ondanks dat de eerste 70 bladzijden magistraal proza zijn, gebeurt er vrij weinig in dat boek en wordt er vaak oeverloos gekletst. Toch is Hermans in een Engels tijdschrift een moderne Dostojevski genoemd, wat je op grond van die Engelbewaarder niet zou verwachten.

Wel geeft dat boek, dat ik net in de mooie Russische vertaling van Irina Michajlova heb gelezen, een scherp beeld van de arrogante naïviteit van de Hollandse elite, die alles beter meende te weten. Hermans is altijd op zijn best als hij die elite ervan langs kan geven. Het versterkt wat hij op zijn 22ste al vaststelde: dat er maar ‘één werkelijk woord’ bestaat, chaos.

In een lovende bespreking in de Russische pers wordt Hermans nergens met Dostojevski vergeleken. Wel constateert de recensent dat Hermans de nog altijd actuele vraag stelt tot op welke hoogte je in een chaotische situatie een compromis met je geweten kunt sluiten en wanneer je met die opstelling een misdaad rechtvaardigt. Precies daar is het Hermans om te doen. Op poezen na kun je namelijk niemand vertrouwen, al is het maar omdat ze niet nederig zijn.