Opinie

De ongelijkheid jaagt nu zijn staart achterna

Maarten Schinkel

Alle aandacht ging op de beurzen vorige week uit naar de toespraak van Jerome Powell. De voorzitter van de Amerikaanse centrale bank (Fed) sprak op de jaarlijkse heidagen van ’s werelds centrale bankiers, die worden georganiseerd in Jackson Hole, Wyoming. Powell kondigde aan dat de Fed zijn maandelijkse aankopen van Amerikaanse staatsleningen gaat temperen, maar was vaag genoeg over de timing, dat niemand ervan in paniek raakte. Het deed denken aan de smeekbede van kerkvader Augustinus (354-430): „Heer, geef mij kuisheid. Maar nu nog even niet.”

Terwijl iedereen dus gebiologeerd was door Powell, gebeurde er in Jackson Hole iets wat misschien nóg belangrijker was: de publicatie van een paper dat wel eens voor grote maatschappelijke discussies zou kunnen gaan zorgen.

Eerst even dit: een van de grote vraagstukken van deze tijd is waarom de rente zo ontzettend laag is. Centrale banken dragen daaraan bij, met hun nulrentes of negatieve rentes voor de korte termijn. En met hun aankopen van langlopende leningen, waardoor ook de ‘lange’ rentetarieven laag zijn – denk aan de hypotheekrente. Maar centrale bankiers zeggen zelf dat ze grotendeels een trend in de ‘natuurlijke’ of evenwichtsrente (R*) volgen die sowieso al plaatsvond.

Die lage rente zorgt voor veel verschijnselen die we nu al jaren om ons heen zien: torenhoge beurskoersen, bodemrentes op staatsschuld, recordlage hypotheektarieven. En waanzinnig hoge prijzen voor vastgoed, mede veroorzaakt door professionele beleggers die de woningmarkt afschuimen op zoek naar het laatste restje rendement.

Een gangbare verklaring voor die lage rente is een langdurig spaaroverschot. Sparende babyboomers op weg naar hun pensioen zijn lang aangewezen als hoofdoorzaak. Maar die trend zou nu toch zijn langste tijd moeten hebben gehad.

Vandaar de tweede, vermoede, oorzaak van de hardnekkige spaargolf: lang leven. Hoe langer de levensverwachting wordt, hoe meer iederéén moet gaan sparen om de steeds langere periode na de pensionering te kunnen financieren. Maar de effectieve pensioenleeftijd gaat óók al omhoog. Juist om aan dat ‘langlevenrisico’ tegemoet te komen.

In Jackson Hole kwamen drie economen – Atif Mian, Ludwig Straub en Amir Sufi (van Princeton, Harvard en Chicago Booth) – met een nieuwe verklaring: de toegenomen inkomensongelijkheid.

Wie het niet breed heeft, geeft vrijwel alles wat binnenkomt meteen uit. Bij meer welvaart wordt meer gespaard. En de allerrijksten sparen (beleggen) enorm veel. En van die zeer rijken zijn er inmiddels zo veel, met zoveel vermogen, dat zij de hele economie beïnvloeden. Als een bosbrand die zijn eigen weersysteem veroorzaakt.

In hun paper, What explains the decline in R*? Rising income inequality versus demographic shifts, maken de drie economen aannemelijk dat de sterk gegroeide inkomensongelijkheid (in de VS) de belangrijkste oorzaak moet zijn van het enorme spaaroverschot. En dus van de tot recordniveau gedaalde rente.

De implicaties hiervan zijn nauwelijks te onderschatten. De lage rente drijft de prijs op van alles wat iets waard is, van aandelen tot huizen. Van Thomas Piketty hebben we geleerd dat vermogensongelijkheid leidt tot inkomensongelijkheid. Het paper van Jackson Hole stelt, andersom, dat grote inkomensongelijkheid ook leidt tot vermogensongelijkheid.

De twee kunnen elkaar dus in een spiraal omhoog jagen. Misschien is dat wat we nu om ons heen zien – in de VS waarschijnlijk wel iets turbulenter dan hier. Maar niettemin: de maatschappelijke ontwrichting door ongelijkheid kan veel sneller gaan dan we nu nog beseffen.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.