Opinie

Bestaande hokjes

Ellen Deckwitz

Zondagavond stond de jongste neef (13) voor de spiegel, nerveus voor het nieuwe schooljaar. Welke schoenen moest hij aan, stonden zijn broeken nog, en na drie uur had zijn moeder er alweer genoeg van. „Ga iets nuttigs doen, al je kleren lijken op elkaar”, zei ze. „En ook op die van je klasgenoten.”

Ze keek mij aan voor bijval en hoewel ik meestal partij voor de neef kies, moest ik haar dit keer gelijk geven. Ik sta door het hele land voor de klas en overal lijken jongeren hetzelfde te dragen. Gympen, hoodies en spijkerbroeken vormen tegenwoordig het nationale schooluniform.

„In mijn tijd had je tenminste nog alto’s en punkers”, zei de zus. De neef haalde zijn schouders op.

„Het líjkt misschien alsof we er allemaal hetzelfde bijlopen”, zei hij. „Maar jullie zijn gewoon te oud om de onderlinge verschillen op te merken.”

Toen ik hier later met een vriend over sprak, knikte hij. Zijn twaalfjarige dochter geeft hem regelmatig hoorcolleges over jongerenmode.

„Het zit hem in de details. Een afwijkende kleur kan echt al een statement zijn hoor. Of dat je wel hetzelfde model broek hebt als de rest, maar dan met een nét iets andere stof, ritssluiting of met knoopjes. Er zit ook een heel betekenissysteem achter hoeveel gaatjes je in je oren hebt en waar je je oorbellen draagt.”

Een jeugdvriendin van mij, Esther, was de eerste op onze middelbare school die de broekspijp van haar spijkerbroek omsloeg. Dat veroorzaakte in het Almelo van 1997 gigantische ophef. Bijna de hele school, van skater tot kakker, vond het belachelijk. Al dat rumoer ontstond natuurlijk omdat iemand iets buiten de bestaande hokjes deed. Het was meer dan zomaar een variatie.

Erasmus schreef eens dat kleding het lichaam van het lichaam vormt, en dat men daaruit de aard van de ziel kan afleiden. Het is een non-verbale manier van communiceren: waar je voor staat, maar ook waar je niet meer bij wil horen. Het omslaan van die broekspijp was een daad van onafhankelijkheid (overigens droeg een half jaar later iedereen zijn broekspijpen omgeslagen, maar dat terzijde).

Gistermiddag gaf ik les aan een gezellige derde klas. Toen ik binnenkwam leek iedereen totaal hetzelfde gekleed, maar gaandeweg vielen me de materiaalverschillen op, de diverse kleurcombinaties, alle kleine bewijzen van individualiteit. Heel subtiel vertelden de kleren verhalen en veranderden truien, schoenen en sokken opeens in een taal met diverse dialecten.

Toen de leerlingen het lokaal verlieten, zag ik geen mensen meer lopen, maar vertellingen. Getuigenissen van katoen, polyester, leer en wol verdwenen door de deur, statements aan ritsen en veters maakten zich op voor de volgende les.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.