Opinie

Wachtgeld voor oud-bewindspersonen bestaat niet voor niets

Cora van Nieuwenhuizen

Commentaar

Cora van Nieuwenhuizen heeft een nieuwe baan en haar nieuwe werkgever is verheugd. Energie-Nederland, branchevereniging voor energiebedrijven, meldt in de demissionair minister van Infrastructuur & Waterstaat een voorzitter te hebben gevonden die „met haar ervaring en daadkracht de komende essentiële fase in de energietransitie kan begeleiden”.

Die opgewektheid werd elders niet gedeeld. Bij (oud)-politici, media en twitteraars klonk verbazing over deze vorm van ‘draaideurpolitiek’. De VVD’er zou in haar nieuwe functie te dicht aanschurken tegen haar oude.

Is er iets op tegen om een baan aan te nemen die te danken is aan de vorige functie? Nee. Voor politici geldt, net als voor niet-politici, dat het logisch is om te solliciteren in een sector waarbij de kans op een baan het grootst is. Niet iedereen wil buschauffeur worden. Andersom zijn oud-politici gewild bij brancheverenigingen, consultancy- en lobbykantoren en in het bedrijfsleven vanwege hun netwerk. Dát is hun grootste asset.

Van Nieuwenhuizen is niet de eerste uit het kabinet-Rutte III die een dergelijke overstap maakt. Twee maanden geleden koos staatssecretaris van Milieu Stientje van Veldhoven (D66) voor het World Resources Institute, een non-gouvernementele organisatie op het gebied van duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen. Ook een ngo lobbyt.

Lees ook: Steeds weer stoelendans bij Rutte III

Het rijtje kan worden aangevuld met talloze bewindslieden uit eerdere kabinetten: premier Jan-Peter Balkenende ging naar consultant Ernst & Young, minister van Financiën Wouter Bos naar concurrent KPMG. Zijn voorganger Gerrit Zalm ging werken voor DSB Bank, een van Van Nieuwenhuizens voorgangers, Camiel Eurlings, kreeg een functie bij KLM.

Er zijn regels: tot twee jaar na hun vertrek mogen bewindslieden niet lobbyen over zaken waar ze als bewindspersoon ook over gingen, en in het Handboek bewindspersonen staat dat zij na hun aftreden voor de ambtenaren van hun voormalige ministerie ook niet aanvaardbaar zijn als lobbyist. Daar moet de ambtenaar dan zelf, casu quo de secretaris-generaal, op letten.

Want de schijn van belangenverstrengeling is snel gewekt. In dit geval, bij Van Nieuwenhuizen, geldt dat zeker. Al zat Energie niet in haar ministersportefeuille, ze zat de afgelopen tijd wel bij de begrotingsbehandelingen. Daarmee heeft ze voorkennis over wat de sector staat te wachten.

In omringende landen en voor EU-commissarissen zijn de regels strenger. Dat voorkomt overigens belangenverstrengeling niet: zie de Britse oud-premier David Cameron die privécontacten met ministers gebruikte om een deal voor een financieel bedrijf te bewerkstelligen waarin hij zelf aandelen had.

Lees ook: De ceo kan ministers altijd bellen

Het is begrijpelijk dat ministers op een gegeven moment op zoek gaan naar een nieuwe baan. Zou dat niet mogen, dan zouden weinigen voor het publieke ambt kiezen. Al verdient het de voorkeur dat zij een kabinetsperiode niet louter zien als een sollicitatiebrief van vier jaar. Of het ministerschap als een tussendoortje op weg naar een droombaan in de consultancy.

De wachtgeldregeling voor politici is bedoeld voor de periode na het ambt. Om de tijd te kunnen nemen voor een volgende baan wordt gezocht (er is een sollicitatieplicht). Een afkoelingsperiode om mentaal en fysiek afstand te kunnen nemen. Idealiter wacht een bewindspersoon dus met solliciteren tot het laatste werkje is gedaan, ook al duurt en duurt de formatie.