Honderd jaar na W. F. Hermans’ geboorte is zijn expeditie nog steeds zinloos

Hermans Op 1 september zou W.F. Hermans 100 zijn geworden. viert de jubileumleeftijd van de schrijver en essayist door de sporen te volgen van zijn roman Nooit meer slapen.
Gerrit Jan Zwier, met aan de horizon de Vuorje, de centrale berg uit Nooit meer slapen.
Gerrit Jan Zwier, met aan de horizon de Vuorje, de centrale berg uit Nooit meer slapen. Foto Gerrit Jan Zwier

Over de kam verschijnt een rendier met haar kalf. Achter ons zien we in de diepte Skoganvarre aan een blinkend meer liggen. Vóór ons ontvouwt zich een geheel nieuw panorama: de oneffen top van de Vuorje steekt boven de horizon uit. „Een berg zoals kinderen in Nederland een berg tekenen”, denkt Alfred.

Lezers van Nooit meer slapen, expeditieverslag over een jonge geoloog die, geplaagd door muskieten, met een absurde opdracht en vele complexen het veld ingaat, weten dat wij op weg zijn naar het hart van deze roman van W.F. Hermans uit 1966. Skoganvarre is de plek waar hoofdpersoon Alfred Issendorf met zijn drie Noorse teamleden en een oude Same (Lap) vertrekken. Ook voor Hermans zelf was dit onaanzienlijke dorp in 1961 het vertrekpunt voor zijn geologische expeditie.

Alfreds promotor verwacht van hem dat hij zal aantonen dat de vele ronde meertjes op de toendra niet het gevolg zijn van gesmolten ijskernen, maar van meteorietinslagen. Dan is het handig als je over luchtfoto’s beschikt, maar die krijgt Alfred niet in handen. Op een luchtfoto zie je „honderdmaal meer dan iemand die op de grond staat, tussen de struiken en tot z’n knieën in het moeras”, houdt een Noorse wetenschapper hem voor.

Ook bij Hermans’ eigen promotieonderzoek in de bergen van Luxemburg beschikte hij niet over luchtfoto’s. En ook toen ging het om een curieuze theorie – hoogvlakten in middengebergten die ook zonder opheffing konden ontstaan.

Een collega van Hermans, die eveneens op hoogvlakten promoveerde, verwees die theorie naar de prullenmand. Hij achtte de kans groot dat Hermans in zijn roman, met die dwaze hypothese over meteorieten, de spot dreef met zijn eigen dissertatie.

Noorse toendra

In 1972 bracht ik als jong antropoloog een lange, warme zomer door in het gehucht Suosjavrre, eveneens op de Noorse toendra. Daar kreeg ik af en toe bezoek van wandelaars annex Hermans-lezers die het spoor van Alfred trachtten te volgen. Meestal waren ze even buiten Skoganvarre al verdwaald. In plaats van de roman na te lopen, hadden ze beter de oude trekroute van de rendiernomaden kunnen volgen. Jaren later bewandel ik die route zelf met een lokale gids. Niet in de zomer, maar in september, als er geen muskiet meer te bekennen is.

Aan de rand van het plateau rijst de Vuorje uit de vlakte op. Ver weg blikkert het water van Lievnasjaurre.

Mijn gids en ik letten op planten en vogels. Op dat gebied slaat de auteur van Nooit meer slapen af en toe de plank mis. Hermans was een stadsmens, geen natuurkenner.

Op onze laarzen banen we ons een weg door een moerassig gebied vol wollegras en bereiken een vervallen hut. Het is een uitgewoonde keet met rendierhuiden, lege bierflessen en pannen vol bedorven eten. ’s Nachts heb ik het gevoel dat de rendierhuid onder mij dankzij het ongedierte springlevend is.

Lees ook: Hermans paste eigenlijk beter in de 21ste eeuw dan in zijn eigen tijd

De volgende morgen ontbijten we met kokkaffe en gele moerasbramen. De Vuorje ziet er fantastisch uit in het heldere ochtendlicht. Onder de kale, ongenaakbare top is hij gehuld in een gewaad van rode en oranje blaadjes. Rendieren spoelen als een witte golf over de flanken van de berg.

Een eenvoudig maar toch geheimzinnig landschap, denkt Alfred.

En veelbelovend. Het ligt immers vol met vreemd gevormde stenen en haast ronde meertjes die zich spiegelen in het heldere licht.