Opinie

Jean-Luc Nancy en het communovirus

Luuk van Middelaar

Een jongere collega trof hem na zijn pensioen in de universiteitsbibliotheek en vroeg hoe het ging: „Een week geleden was ik bijna dood, maar nu gaat alles prima”, antwoordde Jean-Luc Nancy. Vorige week stierf hij, 81 jaar. De afgelopen twintig jaar groeide de discrete Nancy – met generatiegenoten als Jacques Rancière en Alain Badiou – uit tot een van Frankrijks internationaal meest gelezen filosofen.

Weinig denkers schreven zo indringend over het lichaam, op grond van eigen ervaring. Nancy’s boek Corpus begint met een meeslepende uiteenrafeling van het kernzinnetje uit de katholieke eucharistie, „Want dit is mijn lichaam” (Hoc est enim corpus meum): welk dit, welk ik, welk lichaam? Bijzonder is L’Intrus (De indringer), een boekje over het vreemde hart in zijn eigen lichaam, na een harttransplantatie uit 1992. De vervagende grens tussen mens en machine die zoveel sciencefiction voortbrengt – wie leeft voort in wie? – kende hij aan den lijve.

L’Intrus werd in 2004 verfilmd, door Claire Denis. Het thema ervan zit ook in de recente woeste horrorfilm Titane van de jonge Julia Ducournau, die dit jaar in Cannes de hoofdprijs won. Daarin draait het om de bizarre gevolgen van een titanium-implantatie op het leven van een jonge vrouw. Zij valt nadien op auto’s en wordt zwanger van een gele Cadillac. De mensheid verandert; het leven gaat door.

Over de recentste vaccindwangdilemma’s heeft Nancy zich voor zover ik weet niet meer geuit, maar in de eerste lockdown deed hij volop mee aan de publieke duiding van de pandemie. Een tiental teksten is gebundeld in Un trop humain virus. Het fascineerde hem hoe een collectieve, lichamelijke schrik de hele ‘machine’ van het technokapitalisme tot stilstand bracht. „De werkelijkheid bonkt op de deur van onze pleziertjes. De dood vergezelt haar. De dood die we hadden weggeëxporteerd, samen met de oorlogen, hongersnoden en verwoestingen, die we meenden te hebben teruggebracht tot een paar virussen en kankers, staat ons ineens op de hoek van de straat op te wachten. Verdomd!”

Wanneer een vriend hem vertelt dat het virus in India ook wel ‘communovirus’ heet, zie je Nancy lachen. „Maar natuurlijk!” schrijft hij, „Een virus uit communistisch China, maar ook een virus dat ons communistischer maakt.” Geconfronteerd met de kleine indringer zijn we allen gelijk; tegelijk nodigt het virus uit tot een gezamenlijk antwoord, tot solidariteit. Een zeer Franse denkbeweging.

Zeker, Nancy was in revolutiejaar 1968 geen Parijse barricadenbestormer en ook nadien geen man van luid engagement. Hij bleef bewust in provinciestad Straatsburg en schreef zijn oeuvre. Wel behoort hij evident tot de links-kritische generatie die in die jaren, geïnspireerd door Marx, Nietzsche en Heidegger, een eigen stem vond. Ook na de val van het Sovjet-communisme bleef hij nadenken over gemeenschap en ‘het gemeenschappelijke’ (Frans: le commun), over gelijkheid en vrijheid. En zoals gezegd dus over het lichaam – ook in politieke zin, over de body politic.

In het pandemieboekje komen al deze lijnen samen. Fel kritiseert Nancy de gedachte dat we het virus konden laten voortrazen tot er groepsimmuniteit zou zijn. Met een woordspeling op het in Frankrijk alom verguisde neoliberalisme spreekt Nancy van „neoviralisme”: de ideologie van het ieder-voor-zich toegepast op het volksgezondheidsbeleid; een vrije markt… voor het virus.

Waarom horen we van de lockdowncritici nu pas dat leven in verzorgingshuizen geen pretje is, vraagt hij zich af. „Niet iedereen ouder dan 70 is meteen virtueel dood.”

Toen de IC-afdelingen vorig voorjaar volliepen met Covid-patiënten, meldden ook veel Nederlandse filosofen en theologen dat onze samenleving weer moest leren omgaan met de dood. Met dit stoere domineesargument, keerzijde van de koopmanscalculus, maakt Nancy korte metten: „De neoviralisten vergeten dat het natuurlijke en het bovennatuurlijke verdwenen zijn, al wat ons voorheen in staat stelde om een sterke, ja levende verhouding tot de dood te vinden. We zijn geen zwakke vogeltjes geworden: we hebben ons integendeel wijsgemaakt dat we almachtig zijn geworden.”

Uiteindelijk ziet Nancy in de pandemie vooral een ervaring, een ontmoeting met het onbekende, met iets wat onze kennis te buiten gaat en niet op het programma stond. Van zulke ervaringen, zo is zijn overtuiging, zullen we er komende jaren meer meemaken. We verliezen daarin ook altijd iets, iets van wie of wat we zijn. De coronacrisis munt uit in het opblazen van zekerheden.

Uiteraard, van veel zaken die we ‘ongehoord’ vinden, hadden we al wel gehoord, maar we hadden ze nog niet gevoeld. Aan den lijve.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof, historicus en hoogleraar EU-recht (Leiden).