Eindelijk mag de naald de arm van Egge in

Bloeddonatie Mannen in een ‘duurzame’ en monogame relatie met een andere man mogen sinds woensdag bloeddonor worden. „Zo kan ik mijn steentje bijdragen.”

Bloedzakken bij de bloedbank Sanquin. Mannen in een monogame relatie met een andere man mogen sinds 1 september bloeddonor worden. Foto Koen van Weel/ANP
Bloedzakken bij de bloedbank Sanquin. Mannen in een monogame relatie met een andere man mogen sinds 1 september bloeddonor worden.

Foto Koen van Weel/ANP

Gek eigenlijk, zei een vriendin twee jaar geleden tegen Egge Dubbelman, toen ze dodelijk ziek met kanker in het ziekenhuis lag. Normaal gaf ze altijd bloed, nu kreeg ze het. Dan neem ik wel het stokje van haar over als bloeddonor, dacht Dubbelman. „Zo kan ik mijn steentje bijdragen.”

Kort daarna was hij onderweg naar bloedbank Sanquin in Amsterdam. Alles ging goed. Tot hij de vraag kreeg van een volgens hem „empathisch onhandige” man of hij de laatste vier maanden nog seks had gehad met een man. („Ik ben 38 jaar met mijn man en gelukkig hebben we nog seks”, zegt hij.) Het gesprek was meteen afgelopen.

„Ik ga bijna weer janken”, zegt Dubbelman (64) in zijn huis voor een knalrood schilderij van een tulpenveld, van de hand van zijn man. Zijn sjaal is net zo rood, hij draagt een oorbel, een brilletje en zijn grijzende haar zit in een staart. „Ik vond het heel onredelijk. Ze zeiden eigenlijk: jij bent homo, dus je bent onveilig. Je bent onbetrouwbaar.”

Woensdagochtend ging de naald alsnog in zijn arm. Dubbelman vond het „best een bijzonder moment”, laat hij naderhand weten. „Het is een eer onderdeel te zijn van het einde van deze afschuwelijke discriminatie.” En hij voelde zich „zeer welkom”.

Ja, hij heeft de aidscrisis meegemaakt. Toen kreeg hij mee dat mannen ontmoedigd werden bloed te doneren als ze met mannen naar bed gingen, vanwege het risico op hiv dat onder homoseksuele mannen veel vaker voorkomt. „Maar ik dacht dat dit iets van de jaren tachtig, negentig was. Het is inmiddels duidelijk dat aids niets te maken heeft met of je homo of hetero bent. In Afrika is het een van de belangrijkste doodsoorzaken.”

Toch was Dubbelman deze woensdag pas de eerste Nederlandse man in decennia die bloed doneerde én recent seks had met een man. Vanaf 1 september mogen mannen in een ‘duurzame’ (meer dan twaalf maanden) en monogame relatie met een man ook bloed doneren. Sanquin verwacht honderd tot vijfhonderd nieuwe donoren te krijgen, op de huidige bijna 400.000 donoren. Beschikbaarheid van extra bloed speelde dan ook niet mee bij dit besluit.

Jaar geen seks

Tot 2015 werd mannen levenslang verboden bloed te doneren als ze één keer seks hadden gehad met een man. Dat jaar noemde het College voor de Rechten van de Mens dit beleid te streng. Daarna moesten mannen zich een jaar onthouden van seks met een man om te mogen doneren, wat in 2019 werd verkort tot vier maanden. „Van de zotte”, vindt Thom de Vries (32), die twaalf jaar een monogame relatie heeft met een man en bloed wil doneren. „Andere mannen en vrouwen mogen elk weekend een ander hebben.”

Lees ook dit twistgesprek: is het terecht dat homomannen geen bloed mogen geven?

Discriminatie? Jazeker. Maar geoorloofde discriminatie, oordeelde het mensenrechtencollege in 2017 en 2019: „Het belang van de ontvangers van bloed weegt in dit geval zwaarder.” Het recht op gelijke behandeling botst hier met het recht op gezondheid, beschrijven ook hoogleraar filosofie Marcel Verweij en rechtsfilosoof Roland Pierik in een door Sanquin gevraagde analyse die in maart naar de Tweede Kamer werd gestuurd.

Hiv komt honderd keer vaker voor onder mannen die seks hadden met mannen dan onder andere Nederlanders. Het virus kan zich beter nestelen bij anale dan vaginale seks. Overigens worden homo- en biseksuele mannen ook beperkt bij bloeddonatie vanwege een verhoogd risico op hepatitis B, C en syfilis. In Nederland komt syfilis bijvoorbeeld 27 keer vaker voor onder mannen dan vrouwen (Nederland is daarmee ‘koploper’ in de EU). De vier maanden wachttijd is nodig omdat de virussen niet direct meetbaar zijn na infectie: bij hiv gemiddeld een à twee weken, en bij hepatitis B tot wel vier maanden.

Bloedafname in de bloedbank. Homomannen met een monogame relatie mogen dat nu ook.

Foto Olivier Middendorp

Met het nieuwe beleid is er nog steeds ongelijkheid: mannen die niet al een jaar een monogame relatie hebben, moeten zich alsnog vier maanden onthouden van seks met mannen. „Ze kijken niet naar de risico’s”, zegt aankomend donor De Vries. „Mannen die veilige seks hebben, moeten ook mogen doneren.”

„Te beperkend”, schrijven ook Verweij en Pierik over het nieuwe beleid. Ze pleiten voor een selectie op basis van seksueel gedrag: iedereen die ‘veilig’ seks heeft zou dan donor kunnen worden. „Dan vermijd je ook andere vooroordelen”, zegt Verweij. „Bijvoorbeeld dat er iets mis is met meerdere partners.”

Sanquin heeft de volgende stap echter al aangekondigd: het wil vanaf eind 2022 ook mannen uitnodigen zonder vaste partner, door ze aanvullende vragen te stellen over hun seksleven. Daarvoor is alleen meer „voorbereidingstijd” nodig, zegt arts-microbioloog Hans Zaaijer, hoofd van de afdeling bloedoverdraagbare infectieziekten bij Sanquin.

Saaie levensstijl

Die tijd gaat zitten in het bedenken welke vragen je aan wie stelt om te bepalen of diegene een geschikte donor is. Dat moet zorgvuldig, want „daarmee kom je heel dicht op iemands privéleven”, zegt Zaaijer – het zijn immers vragen over hoe iemand seks heeft. Hebben ze bij de soa-poli van de GGD daar niet al lang ervaring mee? „Ja, maar daar ga je naartoe als je klachten hebt die passen bij een seksuele aandoening. Mensen met een ‘saaie’ levensstijl intieme vragen stellen, is nogal wat. Stel je dezelfde vragen aan vrouwen, die amper risico lopen? Of aan iemand van 80? In de meer gelovige streken van Nederland weet je dat je daardoor donors gaat verliezen.”

Op dit moment onderzoekt Sanquin met de Universiteit Maastricht – „met mensen met verstand van alle soorten seks” – welke vragen precies gesteld moeten worden en hoe die ervaren worden. „Zonder tegenslagen” zal iedere man met een „veilige levensstijl” vanaf eind volgend jaar donor kunnen worden, zegt Zaaijer. „Maar dat duurt te lang om niets te doen. Daar voelen we ons ook toenemend ongemakkelijk bij.” Vandaar nu alvast de tussenstap voor monogame relaties.

„Het is een eer onderdeel te zijn van het einde van deze afschuwelijke discriminatie.”

Nederland lijkt hierin niet bepaald voorop te lopen. Zo’n twintig landen maken al geen onderscheid tussen homo- en heteroseksuele donoren, zoals Spanje, Italië, Polen en Israël. Maar landen zijn lastig te vergelijken, zegt Zaaijer. In sommige is homoseksualiteit sowieso taboe. „En in bijvoorbeeld Spanje en Italië komt meer hiv voor onder hetero’s dan in Nederland”, zegt Zaaijer. Onderscheid maken heeft dan minder zin. Hiv-infecties bij bloeddonaties zouden er ook vaker voorkomen.

Het Verenigd Koninkrijk begon afgelopen jaar met donorbeleid op basis van louter risicogedrag. Het stelt voortaan iedereen dezelfde vragen over het seksleven. Heb je de afgelopen drie maanden anale seks gehad met een nieuwe partner of meerdere partners, dan moet je wachten om te doneren, ongeacht geslacht. „Een schijnoplossing”, vindt Zaaijer. „Die vragen zijn voor vrouwen niet relevant, terwijl zij er wel op kunnen worden uitgesloten.”

Mogelijk bloedtekort

Ook ethici Verweij en Pierik vinden het Britse systeem niet ideaal. „Bij een heterokoppel is het verschil tussen vaginale en anale seks verwaarloosbaar als het gaat om het risico op hiv of hepatitis B, omdat die virussen er veel minder rondgaan”, zegt Verweij. Er zullen dus volgens hen veel meer mensen onterecht worden uitgesloten van bloeddonatie, met mogelijk bloedtekort tot gevolg.

Iedereen hetzelfde vragen, maar er vervolgens bij de risicogroepen anders naar handelen, vinden de filosofen ook niet ethisch. „Gelijke behandeling gaat niet om of je iedereen hetzelfde vraagt, maar wat je daar vervolgens mee doet”, zegt Verweij. Bovendien speelt de ethische vraag hoe groot het gezondheidsrisico mag zijn om iemand zeer privacygevoelige vragen over te stellen. „Dan ga je ook de vraag stellen aan een vrouw van 70 uit Drenthe die al vijftig jaar bloed geeft”, zegt Pierik. „Die kan denken: bekijk het maar.”

De filosofen stellen twee opties voor: alle mannen die met mannen seks hebben vragen naar hun seksleven (en de rest niet) – dat is een klein beetje discriminatie, maar minder dan nu. Of niemand meer vragen stellen over hun seksleven en alleen vertrouwen op de bloedtests. Dan is er geen discriminatie meer, maar wordt de kans op infecties door transfusie wel groter.

Nu is bijvoorbeeld de kans op hiv via transfusie 1 op de 6 tot 8 miljoen, schrijven Verweij en Pierik. Dat zou dan stijgen naar 1 op de 1 tot 3 miljoen. Hoe (minder) veilig bloed met de laatste beleidswijziging wordt, is „bijna niet uit te rekenen”, zegt Hans Zaaijer van Sanquin. „Er zijn wel schattingen gemaakt, maar de risico’s zijn verwaarloosbaar.”

Niet iedereen is gelukkig met de verruiming, zoals hemofiliepatiënten, bij wie het bloed niet goed stolt. Hun vereniging, de NVHP, uitte begin augustus haar zorgen in een brief aan demissionair minister Tamara van Ark (Medische Zorg, VVD). Voorzitter Guus Wijfjes schreef het verontrustend te vinden dat nu vooral ethici bepalen wat goed donorbeleid is, in plaats van „cijfermatige bewijzen”. „Hierbij schrikken wij van het gemak waarmee een grotere mate van onzekerheid voor ontvangers van bloedproducten wordt geaccepteerd.”

Hoe veilig is veilig genoeg? „Dat is een politiek besluit”, zegt Hans Zaaijer. „We hebben wettelijk de opdracht zo veilig mogelijk bloed te maken, maar dat is een onzinnige opdracht als je die letterlijk zou opvatten. Het zou bijvoorbeeld een heel klein beetje helpen als je al het bloed twee keer zou testen, maar het geld is niet ongelimiteerd.”

Uit onderzoek van Sanquin en de GGD Amsterdam bleek al dat mannen eerlijk zijn over hun seksleven, waardoor mannen met een hoge kans op infecties relatief makkelijk uit de rij gepikt kunnen worden. Een bepaalde mate van vertrouwen is altijd al nodig geweest bij bloeddonoren, zegt Zaaijer: „Bijvoorbeeld als we vragen of iemand in de tropen op vakantie is geweest. We gaan ervan uit dat donoren goed willen doen.”