Opinie

Onteigening lijkt vooral een bittere pil van eigen makelij

Stikstofcrisis

Commentaar

Is Nederland al toe aan het grootschalig onteigenen van boeren om de stikstofdoelen te halen, bijvoorbeeld al in 2025? Dit wenkend perspectief, dan wel deze existentiële bedreiging, doemt op in het bericht waarin deskundigen voorrekenen hoe de bouw in Nederland weer van het slot kan. Namelijk door enige honderden boeren het eigendom van hun bedrijf en grond te ontnemen, tegen een vrij kolossaal bedrag van 2 á 3 miljard overigens. Vooral die boeren die aan een natuurgebied grenzen.

Deze bedrijven dragen namelijk binnen de totale landbouwuitstoot disproportioneel bij aan de stikstofbelasting van de natuur – een effect dat sinds de PAS-uitspraak van de Raad van State in 2019 niet langer opzij geschoven kan worden. In 2030 moet volgens de nieuwe stikstofwet de helft van de kwetsbare natuur weer gezond zijn en vijf jaar later driekwart. Dat is nogal een opgave. Vrijwillige uitkoop leverde tot nu toe onvoldoende op. Politiek ligt onteigening uitermate gevoelig, met felle boerendemonstraties in Den Haag en een nieuwe partij voor agrarische belangen, de Boer Burger Beweging, die in de peilingen wint.

Officieel ziet Den Haag onteigening als „één van de instrumenten” die kunnen worden gebruikt. Dat is het natuurlijk ook. Onteigening om ‘ruimte voor de rivier’ af te dwingen zodat land onder water kan lopen om bewoonde gebieden te behoeden. Of om met een Betuwe-goederenlijn naar Duitsland de positie van de Rotterdamse haven te versterken. En lokaal, om herverkaveling door te duwen. Allemaal gevallen waarin het individuele belang wijkt voor een groter regionaal, landelijk, maar vooral algemener belang. En waarin goed overleg geen uitkomst bood.

Lees ook: Grootschalige onteigening roept woede op

Onteigening tast intussen niet minder dan een mensenrecht aan, namelijk dat op eigendom. Volgens art. 14 van de grondwet mag onteigening alleen „in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde schadeloosstelling”. De rechter moet eraan te pas komen, maar als aan alle eisen is voldaan, hebben onteigeningsprocedures doorgaans succes. Behalve een ultimum remedium is onteigening een paardenmiddel. Eén waarin de absolute staatsmacht zichtbaar wordt. Autoritairder kan het niet, in een liberale democratie. Maar als het moet, dan kan het dus.

Alleen, moet het al? Voorop gesteld: als een nieuwe minister dit pad inslaat dan bewijst dat ook dat er in de polder al veel is mislukt. Dat was met het stikstofdossier zeker het geval. De PAS-uitspraak van de Raad van State wordt algemeen gezien als een rechterlijke ruk aan de noodrem bij een te slappe overheid die een voorschot nam op vage toekomstige reducties in uitstoot. In tijden van vrijwel onweersproken klimaaturgentie lijkt veel vroeger milieubeleid vooral uit pappen en nathouden te hebben bestaan. En niet alleen aan de kant van de overheid – ook de industriële landbouwlobby kan met z’n nadruk op expansie, vertrouwen in techniek en ‘eigen boer eerst’, achteraf weinig complimenten worden gemaakt. Het had allemaal niet zo ver hoeven komen. Zo bezien is onteigening onontkoombaar – een bittere pil van eigen makelij.

Er is alleen nog wel een probleempje over. Onteigening in de huidige vorm is geen echte oplossing – als deze lokale ‘piekbelasters’ na onteigening elders in de regio of over de grens een doorstart maken, zoals ook hun recht is, dan is het een schijnoplossing. Deze onteigeningen zouden neer moeten komen op definitieve bedrijfsbeëindigingen, niet op verhuizingen. Miljarden uitgeven om stikstofuitstoot waterbed-gewijs naar elders te verplaatsen is zinloos. Maar los daarvan, de tijd is wel degelijk rijp om stevig in te grijpen.