Opinie

Waarom Amerika’s ingrijpen in het M-Oosten altijd mislukt

Buitenlandse bemoeienis en onbedoelde gevolgen verzekeren het falen van Amerikaanse interventies. las Losing the Long Game.

Dwars

Zoals beloofd kom ik terug op het boek van Philip Gordon over Amerika’s mislukte pogingen in de afgelopen zeventig jaar om de onwenselijk geachte werkelijkheid in bepaalde landen in het Midden-Oosten (inclusief Afghanistan) te wijzigen. Regime change en vormen daarvan dus. Het heet democratie brengen of schendingen van mensenrechten aanpakken, maar het gaat vaak om eigenbelang zoals het elimineren van lastige tegenstanders en hun vermeende dreiging. Bondgenoten komen altijd weg met hun schendingen zolang ze maar veel Amerikaanse wapens kopen of Washington anderszins steunen. Ik noem maar de Arabische Golfstaten en Jordanië. Of wat denkt u van Sisi van Egypte met zijn 60.000 politieke gevangenen?

Niet dat ik regime change daar bepleit! Losing the Long Game, The False Promise of Regime Change in the Middle East, heeft Gordon zijn boek getiteld, en zijn punt is dat de Amerikaanse interventies altijd mislukken. Gordon zelf zit nu bij de denktank Council on Foreign Relations, maar hij heeft als regeringsfunctionaris, laatstelijk van 2013-2015 als Midden-Oosten-coördinator in het Witte Huis, hoog beraad over dergelijke interventies bijgewoond.

Gordons eerste voorbeeld is Iran 1953, de coup tegen premier Mossadeq die via de sjah regelrecht naar Khomeiny en de islamitische republiek leidde, niet echt een succes dus. Verder behandelt hij Afghanistan in twee afleveringen, die van 1980-1989 en die van 2001 die zojuist in totale chaos is geëindigd. Voorts Irak, Egypte, Libië en Syrië. De Amerikaanse interventies verschillen natuurlijk enorm van elkaar, van de rampzalige invasie van Irak om, op valse gronden, Saddam Hussein ten val te brengen tot de financiële en wapensteun voor de zwakke en verdeelde oppositie tegen de Syrische president Assad. Een miljardensteun die uiteindelijk van Washington niet tot Assads val mocht leiden omdat er geen stabiele opvolger klaar stond. Obama wilde niet weten van Amerikaanse militaire actie, zoals wel in 2011 gezamenlijk met bondgenoten in Libië gebeurde. Terecht, oordeelt Gordon, alle kans dat Syrië dan als een rampzaliger versie van Libië-na-Gaddafi was geëindigd.

Belangrijke overeenkomsten tussen die verschillende interventies verzekeren hun mislukking. Het begin is makkelijk, maar vervolgens ontstaat er een vacuüm en een machtsstrijd en hinderlijke buitenlandse bemoeienis, zie Irak, zie Afghanistan, zie Libië en zie Syrië ook zonder dat Assad ten val kwam. De cliënten, of het nu een nieuw bewind is of oppositiegroepen, hebben hun eigen belangen die niet parallel lopen met die van hun Amerikaanse sponsor. Daar is ook de wet van de onbedoelde consequenties – het Amerikaanse leger kwam tot de conclusie dat Iran de enige winnaar was van Saddams eliminatie; de val van Gaddafi destabiliseerde de hele regio, en vergde een volgende westerse interventie; oude en nieuwe terreurgroepen profiteren. Ook heel belangrijk, Washington heeft onvoldoende kennis van de regio en laat zich manipuleren. En het kost veel meer geld dan oorspronkelijk gedacht.

De verleiding om in te grijpen zal nooit verdwijnen, zegt Gordon. „Maar het kan veilig worden vastgesteld dat zo’n onderneming duurder en minder succesvol zal zijn en meer onbedoelde gevolgen zal meebrengen dan de pleitbezorgers zich realiseren of willen toegeven.” Het is te hopen dat al die Amerikaanse (ex)hoogwaardigheidsbekleders die het nog steeds niet kunnen laten om regime change in Iran te bepleiten, dit boek lezen.

Carolien Roelants is Midden-Oostenexpert en scheidt op deze plaats elke week de feiten van de hypes.