Het bos is iets om te doorkruisen, niet om er te zijn

Kán dat? Het echte bosgevoel ondergaan in Nederland? Dat is de vraag die Herman Vuijsje deze zomer onderzoekt.

Aflevering 8 (slot): Vrijheid!

Illustratie Jet Peters

Laatste dagen in het Nederbos. Ik ben de laatste grote verkeersbundel voorbij, twee highways en een spoorlijn, en nu wordt het echt eenzaam en stil. Kroondomein Het Loo, er lijkt geen einde te komen aan dat prachtige uitgestrekte bos, waar ik ten langen leste iets gewaarword van de Waldeinsamkeit die ik zocht.

Het Kroondomein was speelterrein voor jagerslui als Prins Hendrik, Varkens Heintje, om zwijnen te schieten en en passant wat nakomelingen te verwekken bij boerendochters in de buurt. Dit najaar is het weer drie maanden voor publiek gesloten met het oog op de „bescherming van de persoonlijke levenssfeer” van de koning. Ahem, tja, maar dit hebben we dan toch wel aan die lui te danken. Als die er niet waren geweest, en de landgoedeigenaren op de Utrechtse Heuvelrug, dan was mijn bosqueeste niet mogelijk geweest.

Ik kijk om en zeg: Nederland vol? Stukje bos ter grootte van een krant? Dikke onzin. Elf dagen door prachtige wouden gestiefeld. Meestentijds zonder veel mensen te zien, midden in coronatijd, toen de bossen zogenaamd vol stroomden. Nou ja, fietsers, als ik te lui was om m’n eigen weg te zoeken en op de fietsknooppunten vertrouwde.

Nee, het Duitse woud is het niet. Om het uur volgens de bordjes een nieuwe boseigenaar en om de paar uur een verkeersweg, maar toch is het een wonder hoe je je er in kunt verliezen, in een dichtbevolkt land waar elke vierkante meter is ‘bestemd’. En hoe blakend het er allemaal bij ligt. Zure regen, het Grote Woudsterven, niks van gezien. En waar is de vermaledijde letterzetter gebleven, het kevertje dat korte metten zou maken met onze sparrenbossen? Opgegeten door de eikenprocessierups?

Zoals alles wat met het bos te maken heeft, vervult het naderen van mijn bestemming me met tegenstrijdige gevoelens. Ik wil dóórlopen, me verder onderdompelen in die weldadige rust en stilte en de eenvoud van de wandeldagen onder de beschutting van het bladerbaldakijn.

Maar aan de andere kant: blijven wil ik er niet. Ik heb er onderweg genoeg gezien, kleine paradijsjes midden in het bos: huis van donker hout, rieten dak, veldje met tuinstoelen en rododendrons, hek eromheen, klaar. En dan maar zitten, de rest van je leven, en koekeloeren tegen die rododendrons en die bomen aan.

Het bos is iets om te doorkruisen, niet om er te zijn. En als je er bijna doorheen bent en het dunner ziet worden, lokt toch ook weer het licht. Door het woud trekken is volgens de sprookjes een rijpingsproces: kom je er heelhuids weer uit, dan ben je gelouterd en kun je de wereld aan.

Landgoed Molecaten met de laatste statige laan, omzoomd door beuken die zoetjes naar elkaar toe nijgen om elkaar in de verte te ontmoeten, met alleen een groene verdwijnstip ertussenin. Plus een paar minuscule silhouetjes van mensen, hard afgetekend tegen dat fluorescerend groen. Ik word erheen gezogen, marcheer er nog één keer op los en maak de vogels aan het schrikken met een afscheidslied.

Dan de laatste villawijk. Eindelijk zie ik door de bomen niet meer het bos, maar ruimte en doorzicht. En als ik Hattem door ben, gloort de IJssel, met wolken en licht in wisselende staten, zoals in Ida Gerhardts beroemde riviergedicht. Op het Kleine Veer kijk ik om, zie een kerktorentje dat boven de oever uit piept. Elf dagen lang geen kerktoren ergens boven uit zien steken. Vrijheid!