Goed nieuws voor mens en planeet: gelode benzine officieel voorbij

Loodvrij Maandag werd de laatste voorraad gelode benzine opgebruikt. Daarmee komt na een eeuw een einde aan een autobrandstof die zeer schadelijk is geweest voor mens en natuur.

Toenmalig minister van Milieu Pieter Winsemius (VVD) tankt in 1985 in Voorburg voor het eerst in Nederland loodvrije benzine.
Toenmalig minister van Milieu Pieter Winsemius (VVD) tankt in 1985 in Voorburg voor het eerst in Nederland loodvrije benzine. Foto Hollandse Hoogte/ANP

Toen automobilisten in de Verenigde Staten steeds vaker loodvrije benzine gingen gebruiken, was dat merkbaar tot ver op de Groenlandse ijskap. Franse onderzoekers ontdekten, volgens een bericht in NRC Handelsblad op 12 september 1991, dat de concentratie van looddeeltjes in het Groenlandse ijs tussen 1967 en 1989 met een factor van ongeveer 7,5 was afgenomen. De onderzoekers zagen daarvoor maar één verklaring: het snel dalende gebruik van gelode benzine in de VS.

Lood is een uiterst giftig metaal, dat kan leiden tot onder meer hersenafwijkingen, nierfalen, lethargie en leerachterstanden, vooral bij jonge kinderen. Deze maandag verklaarde het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP) dat de wereld officieel is verlost van benzine met lood (in de vorm van tetra-ethyllood). Het wordt niet meer geproduceerd en in Algerije is het laatste (bekende) voorraadje nu op.

Daarmee is een einde gekomen aan wat kan worden beschouwd als een van de grootste gifschandalen ter wereld. Volgens een onderzoek van de California State University uit 2011 is, sinds lood grotendeels uit benzine verdween, het aantal vroegtijdige sterfgevallen jaarlijks met 1,2 miljoen mensen afgenomen, onder wie 125.000 kinderen. De universiteit schatte de schade door gelode benzine – toen die nog volop werd gebruikt – op bijna 4 procent van het wereldwijde bbp, totaal ruim 2.000 miljard euro per jaar.

Lood is geen natuurlijk bestanddeel van benzine. Het werd een eeuw geleden voor het eerst toegevoegd, omdat het hielp tegen het kloppen of ‘pingelen’ van de motor. Een jaar of tien eerder had de Amerikaan Charles Kettering een motor bedacht die zelf kon starten, en dus niet meer hoefde te worden aangeslingerd. Een handige uitvinding, met één nadeel: een deel van de benzine dreigde vroegtijdig te exploderen, in plaats van op de juiste plek en in de juiste hoeveelheid te verbranden. Dat zorgde niet alleen voor veel herrie en beschadigingen, het maakte de motor ook minder efficiënt.

Kettering zocht wanhopig naar een manier om benzine klopvast te maken. Hij deed dat sinds 1920 als hoofd onderzoek bij General Motors (GM) – de autogigant waaraan hij twee jaar eerder zijn ingenieursbureau Delco had verkocht. Dagelijks werden in Ketterings laboratorium nieuwe stoffen gemixt met benzine om het pingelen van de motor onder controle te krijgen. Een van zijn werknemers, chemicus en werktuigbouwkundige Thomas Midgley, vertelde later dat hij duizenden stoffen had getest op mogelijke antiklopeigenschappen. Van gesmolten boter tot kamfer en van aluminiumchloride tot jodium.

Het ‘eurekamoment’ kwam in december 1921. Midgley stapte het kantoor van Kettering binnen en zei dat hij de oplossing had gevonden: tetra-ethyllood, een in 1854 ontdekte stof die nog nooit ergens voor was gebruikt. En dat was niet voor niets. Tetra-ethyllood was, net als andere loodverbindingen, zwaar giftig. Amerikaanse wetenschappers hadden het al jaren aan de stok met de loodindustrie. Die had schoorvoetend erkend dat lood schadelijk kon zijn, maar bleef twijfel zaaien over de ernst daarvan.

Het maakte Midgleys keuze voor tetra-ethyllood opmerkelijk. Vooral omdat er tussen de vele stoffen die hij testte één was met vergelijkbare eigenschappen en zonder de risico’s van lood. Dat was ethanol. Farm alcohol, of boerenalcohol zoals autobouwer Henry Ford ethanol noemde, had niet alleen goede antiklopeigenschappen, het zou zelfs kunnen uitgroeien tot een alternatief voor benzine. Henry Ford bouwde in die jaren auto’s die konden overschakelen op ethanol. In een interview in de Christian Science Monitor in 1925 noemde hij „brandstof uit planten […] de brandstof voor de toekomst”.

Hoe kon het dat Midgley dit niet wist? Het antwoord is simpel: hij wist het wel. In oktober 1921, twee maanden voor zijn ontdekking van tetra-ethyllood, vertelde Midgley op een congres van de Society of Automotive Engineers in Indianapolis vol trots dat hij naar de bijeenkomst was gereden in een auto met een mix van benzine en 30 procent alcohol. De verbranding was schoner en „vrij van koolstof”. En door de hogere compressieverhouding „was de hoeveelheid paardenkracht van de auto met alcohol groter dan met benzine”. Kortom, het gebruik van alcohol had „geweldige voordelen en maar weinig nadelen”.

De machtige olie-industrie

De bazen van GM en ook de machtige olie-industrie dachten daar heel anders over. Voor hen had ethanol één groot nadeel. Er viel geen geld mee te verdienen. Er was geen patent mogelijk en mensen konden alcohol gemakkelijk thuis stoken. Als iedereen zomaar benzine zou bijmengen met alcohol, had dat grote gevolgen voor hun verdienmodel. Ethanol moest uit beeld verdwijnen.

GM concentreerde zich in samenwerking met andere bedrijven op de productie van tetra-ethyllood. Deze stof zou worden verkocht onder de productnamen ethyl of TEL om iedere associatie met lood te vermijden. De fabriek werd in 1923 geopend in Dayton, Ohio. Dagelijks kon daar ruim 600 liter TEL worden geproduceerd, goed voor ongeveer 680.000 liter gelode benzine. Meer productieketens zouden volgen.

Maar intussen groeiden de zorgen bij de Amerikaanse Public Health Service. Wat waren de gevolgen voor de volksgezondheid als lood via verbranding van TEL in zulke grote hoeveelheden in het milieu terechtkwam? Toen Midgley in januari 1923 op een congres van de American Chemical Society een prijs voor zijn ontdekking in ontvangst zou nemen, moest hij afzeggen vanwege loodvergiftiging. In een laboratorium in New Jersey waar onderzoek werd gedaan naar tetra-ethyllood stierven in korte tijd vijf onderzoekers en moesten 35 anderen naar het ziekenhuis – van de 49 mensen die er werkten.

Nader onderzoek was nodig, maar ook kostbaar en tijdrovend. De Public Health Service zat klem tussen maatschappelijke bezorgdheid en de machtige auto-industrie die niet wilde wachten. In plaats van eigen onderzoek te doen, besloot de gezondheidsdienst te vertrouwen op data van de producenten. Dat was niet verstandig. Want de industrie deed er juist alles aan om de risico’s te relativeren.

Zo schreef Midgley, uitgerekend toen hij zelf kampte met zijn loodvergiftiging, in een brief aan de gezondheidsdienst dat „de gemiddelde weg waarschijnlijk zo vrij van lood zal zijn dat het onmogelijk is het op te sporen”. Al moest hij wel toegeven dat er „geen daadwerkelijke onderzoekdata beschikbaar waren” die dat bevestigden. Bij journalisten probeerde hij de ongerustheid weg te nemen door voor hun ogen zijn handen te wassen in een bak met tetra-ethyllood.

Meer lood in lichaam dan gemiddeld

Uit een onderzoek van de gezondheidsdienst bleek dat garagehouders en automonteurs meer lood in hun lichaam hadden dan gemiddeld. Maar hoe schadelijk dat was, durfden de onderzoekers niet te zeggen. Wel dat de dodelijke ongelukken en ernstige incidenten hadden plaatsvonden bij de productie van tetra-ethyllood en niet in garages. The New York Times trok daaruit de conclusie die de auto-industrie zo graag wilde horen: „Rapport: gelode benzine niet gevaarlijk.”

Zolang het tegendeel niet ‘bewezen’ was, hield de auto-industrie zich vast aan die conclusie. Bovendien moest enige milieuschade volgens de autobazen voor lief worden genomen uit naam van de vooruitgang. In 1925 zei een topman van het TEL producerende dochterbedrijf van GM dat gelode benzine „noodzakelijk is voor onze beschaving” en dat het dus niet overdreven was om te spreken van een „gift van God”.

Met Thomas Midgley liep het niet goed af. Na zijn succes met tetra-ethyllood schonk hij de wereld nog een ander scheikundige verbinding die de aarde aan de rand van de afgrond had kunnen brengen: de als drijfgas en koelvloeistof geschikte chloorfluorkoolwaterstoffen (cfk’s). Het gebruik ervan is al jaren verboden omdat cfk’s de onzonlaag in de stratosfeer afbreken.

Later kreeg Midgley polio en ontwierp hij een installatie om gemakkelijk uit bed te komen. Dat ging mis en op 2 november 1944 stikte hij, nadat hij verstrikt was geraakt in de draden van zijn eigen apparaat.