Foto Annabel Oosteweeghel

‘Ik schaamde me dat ik als psycholoog paniekaanvallen kreeg’

Interview Een cliënt met ernstige psychische problemen behandelen, terwijl je zelf aan paniekaanvallen lijdt, daarover schrijft Sanne Winchester. Hoe onvoorwaardelijk kun je klaarstaan?

Er hangen nog slingers in de woonkamer. Niet vanwege haar boek, maar omdat psycholoog Sanne Winchester net dertig is geworden. Al is het ook fijn dat Ik mag niet bang zijn, waar ze drie jaar aan gewerkt heeft, nu af is. „Pas tijdens het laatste jaar schrijven”, zegt ze terwijl ze cappuccino’s voor ons op tafel zet, „bedacht ik: dit is waar het om draait.”

Waar draait het dan om?

„Dat we allemaal mens zijn. Dat een psycholoog geen alwetende arts is die jou even wat pilletjes geeft zodat je verder kunt. Soms verwachten mensen dat. Maar in feite ga je met zijn tweeën een heel kwetsbaar proces in.”

Ook de therapeut kan zich „onwetend, zwak en angstig” voelen, schrijft Winchester in haar boek: dat is „de hele essentie van therapie. [...] Je bent beiden cliënt, al worden alleen de problemen van één opgelost.”

Lees ook: Uw depressie duurt te lang, onze behandeling stopt hier

Machteloos

Ik mag niet bang zijn lijkt op geen enkel boek dat ik ooit heb gelezen. Het is een gevalsbeschrijving van één cliënt met ernstige psychische problemen, maar het gaat ook over de paniekaanvallen waar Winchester zelf aan leed, en die verergerden door hoe machteloos ze zich voelde tijdens de therapie. Het boek roept de vraag op hoe persoonlijk de psychotherapeutische relatie mag worden, en hoe onvoorwaardelijk je als hulpverlener kunt klaarstaan.

Maar het doet meer: tussen de regels door is Winchester kritisch over hoe de geestelijke gezondheidszorg (ggz) georganiseerd is. Ze legt gedetailleerd uit hoe een psychotherapeutische behandeling in de praktijk werkt: ze beschrijft de therapeutische technieken die ze toepast, en de gesprekstechnieken (het ‘domme blondje’ of de ‘botte boer’ spelen, ‘vruchtbare stiltes’ laten vallen).

En ze vertelt hoe onzeker en zoekend ze in het geval van Emily Ooster was. Dat is de schuilnaam van een cliënt die Winchester behandelt als vers afgestudeerde basispsycholoog bij een nieuwe zorginstelling. Emily is een vrouw van 28 die dag en nacht bij haar ouders thuis op een matras ligt, niet kan lopen, overal pijn heeft, moeilijk ademt, stemmen hoort en bang is. Heel complexe problemen.

Winchester denkt niet dat ze Emily kan behandelen, de psychiater die Winchester begeleidt vindt het ook meer iets voor de crisisdienst – maar als Emily al een beetje opknapt van het intakegesprek, moet Winchester haar toch als cliënt aannemen.

Winchester wil niet. Als ze bij Emily geweest is, zit ze te hyperventileren in de auto. Ze is bang dat Emily doodgaat en dat dat dan haar schuld is. Zelf is ze twee jaar daarvoor bijna doodgegaan. Ze kreeg twee klaplongen na een ernstige astma-aanval. Toen lag ze zélf op een matras met overal pijn en kon ze niets.

Je hoeft geen psychologie gestudeerd te hebben om de overeenkomst te zien tussen Winchester en haar cliënt. „Het boek zou eerst helemaal om Emily draaien”, vertelt Winchester nu. „Maar het werd uiteindelijk meer van ons samen.” Het vertelt hoe psycholoog én cliënt met hun psychische problemen omgaan.

Voor Winchester was haar ziekenhuisopname, ze was toen 21, een sleutelmoment in haar leven, vertelt ze. „Daarna voelde ik me een tijdlang heel rauw, kwetsbaar en open. En ineens heel volwassen. Ik voelde me ook niet meer thuis in vriendengroepen die gingen stappen, ik dacht: daar draait het toch allemaal niet om. Het heeft me als mens en behandelaar gevormd tot een heel ander persoon. Ik ben meer gaan stilstaan bij de vergankelijkheid van het leven, en ik ben intenser gaan leven. Het is moeilijk uit te leggen, het is een heel existentieel gevoel. Het heeft te maken met ‘waartoe zijn wij op aarde’.”

En waartoe zijn wij dan op aarde?

„Ik denk dat we hier zijn om elkaar te helpen, van elkaar te leren, dingen beter te maken – om elkáár beter te maken.”

Tijdens het lezen had ik vaak het gevoel dat je langs het randje loopt van wat mag. Je beschrijft hoe je na de therapie inbreekt in het systeem van je (inmiddels) voormalige werkgever, voor Emily’s contactgegevens…

„Inderdaad loop ik in het boek een beetje langs het randje. Nee, ik heb niet echt ingebroken in dat computersysteem. Ik heb sowieso heel veel details veranderd, natuurlijk alle namen en plaatsnamen, zodat ze niet herkend wordt. Ik kende haar telefoonnummer uit mijn hoofd, nog steeds trouwens.

„Maar een oud-behandelaar mag dat niet zomaar gebruiken. Dat is een struggle in het boek: hoe ver laat je je als behandelaar verleiden om vrienden te worden met je cliënt? Ik heb me mee laten slepen, ik ben er echt onvoorwaardelijk voor Emily geweest – en ik denk dat dat heeft bijgedragen aan het succes van de behandeling.

„Er zijn tegenwoordig trouwens wel meer stromingen die een intiem contact aanmoedigen. Ken je die documentaire Emma wil leven? Daarin gaat een meisje met anorexia naar een kliniek in Portugal, waar ze op schoot wordt genomen en gevoerd. Door psychologen. Terwijl wij hier zeggen: cliënten raak je niet aan.”

Jij hebt Emily ook omhelsd.

„Eigenlijk ben ik daar niet voor, maar met haar wel. Dit soort dingen zijn wel een worsteling geweest voor mij. Die regels zijn er omdat je je cliënt niet mag schaden. Dus heb ik me continu afgevraagd: vind ik dit ethisch? Ik heb er ook veel met collega’s over gespard.”

Ben je bang dat dit boek consequenties kan hebben?

„Voor haar niet. Emily weet dat ik over haar schrijf, ze heeft zelf haar naam gekozen. En we hebben nog af en toe contact. Maar het boek zal wel tot precies deze discussie leiden: ben je die hulpverlener in een witte jas die alles beter weet of stel je je in de behandeling kwetsbaar en open op?

„Ik kan me voorstellen dat het boek voor andere mensen bij mij in behandeling ook raar kan zijn. Die denken dat ik de professional ben, en als ze dan lezen dat ik ook niet altijd weet wat ik aan het doen ben… Of ze kunnen medelijden met me krijgen. Ik hoop dat het op de goede manier confronterend voor hen is.”

Foto Annabel Oosteweeghel

Heeft je voormalige werkgever het boek gelezen?

„Dat weet ik niet, ik heb geen contact meer met hem. Die zorginstelling bestaat ook niet meer. Ik kan me voorstellen dat hij het boek niet flatterend vindt, maar ik heb de vrijheid het zo op te schrijven en ik heb geen leugens verteld. Ook de vechtpartij die ik beschrijf is echt gebeurd. Het was daar een chaos. De baas was geen psycholoog maar ondernemer, die wilde gewoon geld verdienen. Ggz-instellingen zijn allemaal bedrijven die winst moeten maken.”

Wilde je met het boek ook laten zien dat de ggz niet goed in elkaar zit?

„Ja eigenlijk wel. De uurtje-factuurtjementaliteit die er soms heerst, hoe makkelijk de verzekeraars geld verdienen. En er is een perverse prikkel om veel goedkope basispsychologen aan te stellen met één hoofdbehandelaar.”

Hoe zit dat?

„Als je een master klinische psychologie hebt afgerond, ben je basispsycholoog. Dan heb je de bevoegdheid te behandelen onder supervisie van een hoofdbehandelaar: een gz-psycholoog, psychotherapeut of psychiater. Het is de bedoeling dat die meekijkt, maar er is een groot tekort aan opleidingsplekken en hoofdbehandelaars, dus in de praktijk doe je als basispsycholoog bijna alles. Bij Emily werd ik erg losgelaten. Toen dacht ik echt: dit mág niet! Al denk ik nu dat mijn hoofdbehandelaar wel wist waar hij mee bezig was.

„Je moet als hoofdbehandelaar je grenzen bewaken. Ik ben nu zelf gz-psycholoog en werk tijdelijk in een verpleeghuis, maar als ik vanaf januari weer basispsychologen ga begeleiden, lijkt het me logisch dat ik er maar één of twee neem, met allebei maximaal dertig cliënten. Vijf moeilijke en 25 die ze zelf goed kunnen. Bij mensen met milde klachten doorloop je gewoon het protocol en dan is iedereen blij.

„Bij complexere cliënten is het voortdurend schipperen: wat mag van de zorgverzekeraar en wat is goed voor de cliënt. Bijvoorbeeld aan het eind van een behandeling: als het goed gaat, wil je dat bestendigen met een soort terugvalpreventieplan. Maar verzekeraars zeggen: behandel zo kort mogelijk.”

En verzekeraars vragen een heldere diagnose, terwijl klachten soms moeilijk in hokjes te vangen zijn?

„Ja, klopt. En burn-out is bijvoorbeeld geen diagnose, depressie wel. Maar als je iemand die diagnose geeft, is dat een stempel dat kan blijven hangen: ‘Ik was ooit depressief.’ Diegene kan daar last van hebben. Ik zeg dan: ik doe dit echt alleen maar omdat ik iets moet kiezen en dan krijgen we het vergoed. Ik hoop ook dat ik met dit boek psychische klachten normaliseer. Het leven ís soms moeilijk, en soms heb je een klacht die niet vanzelf herstelt.”

Zoals paniekaanvallen.

„Ik schaamde me ook dat ik die had en niet onder controle kreeg. Ik was toch psycholoog, ik wist toch hoe het werkte?”

Inmiddels is ze ervoor in therapie geweest. „En ze zijn weg!”

En hoe gaat het met Emily?

„Met ups en downs, maar veel beter dan het was. Ze zit op het niveau dat ze aan het einde van het boek had.”