De stille verdwijning van consistentie uit Haagse beslissingen en debatten

Haagse invloeden Deze week: het verband tussen debatten over Afghanistan, nieuwe bestuurscultuur en linkse samenwerking. Ofwel: aandachtspolitiek, de Tweede Kamer als Twitter Kamer en het einde van consistentie als Haagse waarde.

Wat is de beste politiek: verontwaardiging vertolken, of verontwaardiging voorkomen? Want bij alle – logische – Haagse weerzin tegen de toestand in Afghanistan de laatste weken, viel wel op hoe groot het contrast met anderhalf jaar geleden is. Op 29 februari 2020 sloten de VS een ‘vredesakkoord’ in Doha met de Taliban, inclusief de vrijlating van vijfduizend Talibanstrijders, waarmee de recente machtsovername toen al aannemelijk werd.

En ik vroeg me af: hoe reageerde de Tweede Kamer destijds?

Dat hield niet over.

Verzachtende omstandigheid was zeker dat het land die periode werd overvallen door Covid-19. De Kamer zag zich gedwongen veel vergaderingen schriftelijk af te doen.

Dus pas een maand na het vredesakkoord, 26 maart, kwam een serie Kamervragen naar buiten. Maar om een idee te geven hoe klein het probleembesef was: slechts één fractie (GroenLinks) stelde één vraag over de betekenis van het vredesakkoord „voor vrouwen en meisjes”.

Het antwoord van toenmalig minister Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD) was dat het kabinet „het behoud van mensenrechten (met name vrouwenrechten)” zou „blijven benadrukken”. Ook schreef de bewindsman dat „de Afghaanse bevolking nu zelf [...] de toekomst’” in handen had.

Maar vorige week nam de Kamer een motie aan, geïnitieerd door GroenLinks, waarin de omgang van „de jihadistische Taliban” met onder meer „vrouwen en meisjes” werd genoemd als grond voor een crisisplan voor Afghaanse vluchtelingenopvang.

Dus de vraag is: waarom sloeg de Kamer pas alarm toen het bijna te laat was, en amper alarm toen het misschien nog niet te laat was?

Nu gaat het hier, hoe ernstig ook, allang niet meer om een incident. In het Haagse wereldje vertellen mensen al jaren gelaten dat hun energie vooral gaat zitten in reacties op misstanden. Niet in het voorkomen ervan.

Het bekendste voorbeeld is natuurlijk de Toeslagenaffaire, waarbij vroege signalen tot niets leidden. Ook wijzen deskundigen al decennia op het verband tussen de stikstof- en CO2-uitstoot en de veestapel: zelden volgde er actie. Idem met het verband tussen verzelfstandiging van uitvoeringsinstanties en hun onpersoonlijke dienstverlening.

Ook de debatten over Afghaanse vluchtelingen sinds 2001, tolken en kinderen inbegrepen, zijn niet los te zien van de Haagse steun in 2001 aan de Amerikaanse aanval van Afghanistan na 11 september: vanaf het begin werd er gewezen op de kans dat de NAVO-presentie vluchtelingen deze kant op zou brengen.

Zo betwijfelde wijlen J.L. Heldring vier dagen na de Amerikaanse inval, oktober 2001, al in NRC of dit een „doeltreffend antwoord” op terrorisme was: „Is dit niet een hydra, waaraan, bij elke kop die haar afgeslagen wordt, twee nieuwe koppen ontspruiten?”

De vraag is dus waarom de democratie zoveel beslissingen buiten de eigen geschiedenis plaatst, zodat je voortdurend de indruk van gelegenheidsopwinding hebt. Van aandachtspolitiek: politiek die niet werkt aan problemen, maar problemen nodig heeft om de aandacht op zichzelf te vestigen.

Op zich is dit niet nieuw. Maar toen ik laatst een podcast van voormalig journalistiek wonderkind Ezra Klein van The New York Times beluisterde, begreep ik beter hoe groot het verschijnsel is geworden, en hoe je Den Haag op dit gebied moet duiden.

Klein sprak met L.M. Sacasar, een schrijver die al jaren de invloed van nieuwe technologie op ons leven verkent – en dus op de democratie. Zijn uitgangspunt is dat nieuwe technologieën onze levens vormen: „Mediagedrag bepaalt wie we zijn.”

Vrij vertaald: camera’s leerden ons poseren; zoekmachines gaven ons eigen feiten; de smartphone werd een vehikel voor zelfpromotie; sociale media bleken tegengeluid (conflict, complot, hysterie) te belonen met de meeste aandacht.

Zo ontstond, als product van de aandachtseconomie, de aandachtspolitiek – ook in Den Haag. En natuurlijk kunnen politici met gedegen bijdragen Haagse invloed uitoefenen. Maar aandacht krijgen politici veel eerder met afwijkend gedrag: grote woorden, argwaan, woede.

Het verklaart dat een deel van de Tweede Kamer, gevoed door het systeemfalen in de Toeslagenaffaire, nu opereert als Twitter Kamer: afkeer als basisinstelling. En een ander deel als Insta-Staten Generaal: laten we primair op onze styling letten.

Maar aandachtspolitiek creëert ook een blinde vlek voor het verleden: eerdere posities en besluiten tellen niet meer. „Op sociale media duurt de werkelijkheid zelden langer dan 48 uur”, zegt L.M. Sacasas in die podcast. Wat politici twee maanden geleden zeiden is vergeten – laat staan wat ze twee jaar of twee decennia geleden zeiden.

Zo kon consistentie als politieke waarde stilletjes verdwijnen. Trump was er de luidruchtigste illustratie van – maar niet de enige.

Het zit ook in het gemak waarmee heel Den Haag nu een nieuwe bestuurscultuur eist. De oude, monistische cultuur werd in 2012 onder Rutte versterkt omdat het land vanaf 2002 vijf kabinetten in tien jaar had: vier jaar na de kredietcrisis haperde de aanpak daarvan nog steeds. Het ongeduld hierover bepaalde het monisme dat erop volgde. Daar is zeker kritiek op mogelijk, maar het is vreemd die context uit 2012 te vergeten.

Iets vergelijkbaars zag je recent in de PvdA over samenwerking met GroenLinks. De PvdA was in 1946 zelf het product van een fusie, GroenLinks in 1990, dus ‘principiële’ bezwaren in die partijen tegen linkse samenwerking leken me sowieso wonderlijk.

De vaandeldragers van het verzet, oud-voorzitter Hans Spekman en oud-Kamerlid Adri Duivesteijn, gaven ieder eigen argumenten tegen fusie. Spekman vond het „onvoorstelbaar slecht” Ruttes verzoek voor stabiliteit te honoreren: de Toeslagenaffaire bewees, zei hij, dat Kamerleden zich niet moeten laten inperken door coalitiedwang. Duivesteijn trok het breder: voor hem werd „het einde van de PvdA ingezet”.

Maar ook deze routiniers besloten hun eigen verleden te vergeten. Duivesteijn zelf pleitte al in 2002 als Kamerlid voor „een progressief akkoord van de linkse fracties”, en tekende in 2006 met zeven andere linkse politici een petitie voor „samenwerking van PvdA, GroenLinks en SP”.

Spekman steunde zo’n oproep in 2015: „Laten we alle kinnesinne opzij zetten en de krachten bundelen.” En collega Thijs Niemantsverdriet legde hem in 2016 in NRC voor: „Is de PvdA hét vehikel van de sociaaldemocratie?” Spekman: „Het is geen doel op zich, de PvdA was destijds ook een fusie.” Let op het woordje ook.

Uiterlijk over twee weken, na het reces, volgt een vermoedelijk heftig Kamerdebat over de evacuaties uit Afghanistan: de Twitter Kamer in actie.

Nieuw rechts zal zich verzetten tegen de komst van Afghaanse vluchtelingen. Drie bewindslieden (Kaag, Bijleveld, Broekers-Knol) zullen onder vuur liggen over de evacuaties, de ambassade in Kabul, de late respons op de machtsovername, en de tolken.

Uiteraard zal er veel aandacht voor Kaag zijn: haar partij is nooit vies geweest van aandachtspolitiek, zijzelf ook niet, en haar positie in de formatie maakt haar voor allerlei partijen een uitermate interessant doelwit.

Al zou je hopen dat de Kamer daarbij ook terugkijkt naar de eigen rol: de steun aan de inval in Afghanistan in 2001 en de lauwe eigen respons op de vredesdeal met de Taliban vorig jaar. Maar je vermoedt dat dit hooguit bijzaken zullen zijn. Zo werkt nu Den Haag: incidenten uitvergroten en de structurele oorzaken buiten de eigen geschiedenis plaatsen.