‘Ik kan me niet voorstellen dat ik nog zoveel geld aan eten zou uitgeven’

Tafelmanieren Wat er op het bord ligt, zegt iets over hoe we in het leven staan. In deze aflevering: Miek Zwamborn is op het Schotse Isle of Mull in de ban geraakt van zeewier.

Foto Rutger Emmelkamp

‘Ik raak er steeds meer van overtuigd dat zeewier de mensen uitkiest in plaats van andersom.” Miek Zwamborn – schrijver, vertaler, kunstenaar – citeert in haar boek Wieren de ontwerper Julia Lohmann. Zelf ziet ze het ook zo.

Op het Schotse Isle of Mull, waar ze nu vijf jaar woont, stuitte ze tijdens een vakantie op een immens aangespoeld wier. „Het bolwier glom als was het opgewreven en leek vervuld van een vreemde kracht. Het scheen tomeloos.” Ze sloeg het wier, twee keer zo groot als zijzelf, over haar schouder en nam het mee aan land. Vanaf dat moment lieten de geheimzinnige zeeplanten haar niet meer los.

Zwamborn (47) schreef een wonderschone bundel over deze algensoort, met observaties, poëzie, cultuurhistorische verhalen, kunst en recepten. Veel van de wierportretten tekende ze zelf. Elke vertaling is een wijzere zus van het origineel, zegt ze, omdat ze nieuwe mensen ontmoet die met zeewier werken en ze nieuwe recepten probeert te ontwikkelen. Met kunstplatform DIS maakt ze een podcastserie en schreef ze een zeewiermanifest. „De vraag is: welke interactie kan er bestaan tussen zeewier en een gemeenschap?” Wieren kunnen ons leren betere mensen te worden, denkt ze. Niet alleen omdat zeewier een duurzame grondstof is of omdat het eiwitrijk voedsel is, dat kan helpen de wereldbevolking te voeden. „Wieren laten ons zien hoe samen te leven.” Ze zijn flexibel, veerkrachtig, wendbaar. Bestand tegen extreme omstandigheden. Verstrengelend – zoiets als verbindend, maar dan zwieriger.

We hadden haar graag willen bezoeken, op die ruige uithoek aan de Schotse westkust waar ze met haar partner, kunstenaar Rutger Emmelkamp, kunstenaars, dichters, musici en wetenschappers ontvangt. En dan daar wierwandelen. Maar de coronaregels zaten in de weg. Zelfs skypen blijkt lastig. „Het internet is ’s zomers, als er toeristen op het eiland zijn, snel overbelast.”

Door de beschrijvingen in haar boek, de website van de KNOCKvologan-residentie, en nu aan de telefoon, krijgen we toch een idee van dat stugge, kaalgewaaide gebied, waar ze „op het huis passen” van een Nederlandse familie die in de jaren zeventig de zuidwestelijke punt van het eiland kocht en het beheer heeft uitbesteed.

Foto’s Rutger Emmelkamp

Uitkijken over zee

Zwamborn zit in de achterkamer. „Ik kijk uit op een van de twee moestuinen. De aardperen staan bijna in bloei, de lathyrus ook. Ik zie fitissen en winterkoninkjes. De kippen lopen voorbij.” Verderop staat het zevenkantige houten verblijf voor de residenten die er tijdelijk werken en op hun manier iets van het landschap vertalen en vastleggen. „Vanuit de voorkamer kijken we uit over zee.”

Ze vertelt over het getijdeneiland Erraid aan de overkant, dat in verval raakte nadat de vuurtorenbouwers die er eind negentiende eeuw de bouwstenen hieuwen, hun granieten huisjes hadden verlaten. En over de paar duizend mensen die nu op Isle of Mull wonen. „Er zijn vissers, boeren, pensionado’s, nieuwkomers. Maar iedereen is tegendraads genoeg om te kunnen omgaan met wat hier allemaal niet kan. In de winter vaart de veerboot vaak niet. Leveringen komen niet of te laat en de stroom valt geregeld uit. Veel mensen overwinteren elders. Het betekent iets als je hier vier seizoenen volhardt, pas dan tel je mee.”

Het weer bepaalt het dagritme. Het dicteert of ze het dak kunnen repareren, uit vissen gaan, in de tuin werken of een handleiding maken over het prepareren van vissenhuid, zoals vandaag. „Bieten oogsten, kettingzagen en een concert organiseren zijn inmiddels net zo belangrijk als werken aan mijn nieuwe roman.”

Als je naar iemand toe gaat, neem je iets mee. „Een bos kervel, een paar verse makrelen of twee preien met een strik erom.” Van de buurman, die ze regelmatig helpen met schapen drijven en scheren, krijgen ze soms een stuk lam of hert. Pasta, meel, muesli en rijst kopen ze met anderen in om de transportkosten te delen, verder leven ze van wat de tuin en de natuur te bieden hebben. Gisteren nog de harige bladeren van de berenklauw. „Die smaken een beetje naar kaneel. De Romeinen waren er al dol op.”

Steeds meer probeert Zwamborn met zeewier te koken. „Als een soort pasta bijvoorbeeld, met snijbiet en spinazie. En we trekken er veel bouillon van.” Dat is geen losgezongen hobby of kunstproject. Het past simpelweg bij de manier waarop Zwamborn en haar partner bezig zijn met eten, steeds meer leren over eetbare en medicinale planten en ontdekken hoe ze voedsel kunnen conserveren door het te drogen, in te maken of fermenteren. „We drinken ook geen wijn meer. We zijn nu begonnen met bier brouwen. Als je de spullen en de kennis eenmaal hebt, kun je steeds duurzamer leven. Ik kan me niet meer voorstellen dat ik nog zoveel geld aan eten zou uitgeven als vroeger.”

Foto’s Rutger Emmelkamp

Het eerste boek waaruit Miek Zwamborn kookte toen ze op kamers ging, Gerechten uit de Tuin van Eden, ging over groente en vis. Ze maakte altijd liever zelf een boterham dan buiten de deur te lunchen. Een voorliefde voor oude bereidingstechnieken en moestuinieren had ze ook al. „Maar het zat meer in mijn hoofd dan dat ik die kennis werkelijk kon toepassen. Toen ik nog in Amsterdam woonde, bedacht ik elke dag wat ik wilde eten en dan kocht ik dat.”

Eten is nu een rode lijn door de dag. Kippen voeren en water geven, rondje moestuin, brood bakken, havermelk maken, desem voeden, eieren verzamelen en dan in de zomer ’s middags bij laag water schelpen rapen, bij hoog water vissen, de groenten oogsten en klaarmaken, koken en samen of met gasten aan tafel.

De paradox is: ze leeft méér met de dag, maar ze moet ook bedenken wat ze morgen, volgende week of in de winter wil eten. En de omgeving biedt bijna alles wat ze nodig hebben, maar zonder de grenzeloze overvloed van de supermarkt. „Als ik mosselen raap of wieren meeneem, zijn dat geen grote hoeveelheden. Hoe meer je plukt, hoe meer je moet verwerken. Ik voel steeds beter: dit is genoeg.”

Zoals ze ook beter ziet waar dat eten blijft. „Door zo fysiek te werken, zie je bijna waar je boterham naartoe gaat. Je hebt het pad gemaaid of een stapel hout gehakt en als de brandstof op is, smeer je weer een nieuwe boterham. De energie gaat rechtstreeks naar het werk dat je verzet.”

Foto’s Rutger Emmelkamp

Gebakken en gekookte worst

Misschien is dit wat voedselschrijvers bedoelen als ze zeggen dat we de connectie met ons voedsel moeten terugvinden. Hoe gecompliceerd dat is, hoe groot de contrasten zijn, ziet Zwamborn op het eiland. „Het voedsel dat de eilanders eten, komt veelal van ver en wat hier geproduceerd en gevangen wordt, verdwijnt naar het vaste land. Er is maar één winkeltje. Toen we nog geen tuin hadden, kochten we daar verpieterde groenten. ‘Zijn jullie ziek?’, vroeg de caissière.”

Laatst raakte Zwamborn in de bus in gesprek met een meisje van zestien uit een boerenfamilie. „Haar moeder had haar uitgelegd dat er twee belangrijke gerechten zijn. Gebakken worst en gekookte worst, de ene maak je klaar in de pan, de andere in de magnetron. Dat raakte me diep. Ik probeer mensen op het eiland te enthousiasmeren voor ‘onkruiden’ en zeewier, maar waar te beginnen?”

Het stuk natuur dat hun is toevertrouwd, laten zij gecontroleerd verwilderen. „Onze buren zijn boeren, die vinden dat vreselijk. Hun voorouders hebben de woestenij met enorme inspanningen schoongemaakt en opgeruimd, dat is hun trots. En wij nieuwkomers maken er een wildernis van, in hun ogen verkwisten wij het land. Ze hebben zoiets van: wat doen jullie hier? Het zijn soms moeilijke gesprekken.”

Lees ook: Red de wereld, kweek je eigen voedsel

Ze is een voorbijganger, realiseert Zwamborn zich. „Dit land is niet van mij. Deze plek heeft mij niet nodig.” Tegelijkertijd voelde ze zich hier meteen thuis. „Alles waar ik naar verlang en wat ik heb geleerd, past hier. Het was makkelijk om dit landschap in te glijden. Mijn eigen eindigheid voelt anders dan vroeger. Ik sta meer in verbinding met het verleden en de toekomst, zonder het middelpunt te zijn. We bouwen aan iets groters om door te geven. Het leven op het eiland maakt me robuuster. Als ik niet opschiet met mijn roman, heb ik in elk geval wel geleerd om vishuiden te looien.”

Zeker eens per week loopt Zwamborn naar de baai, naar de wieren. Een flink stuk lopen, klauteren en waden. Als het springtij is, kan ze wieren oogsten waar ze normaal niet bij kan, om een kleine voorraad aan te leggen. „Elke keer dat ik daar kom, is als een weerzien met vrienden.”

Uit Wieren: „Eind januari waad ik op een stille dag door de branding. Om mijn enkels gevleugeld kelp. Ik stap de zee binnen en zie blaaswier wenken. Onder de zeespiegel arceert het de baai. Eerst zag ik dat alles van onderaf, toen was ik alg.”