Opinie

Mijn dagelijkse ritueel in Moskou

Michel Krielaars

Eind jaren tachtig stond ik in het winterse Moskou dagelijks zeker een uur in de rij om een brood bij de bakker in mijn straat te kopen. Aangezien ik meestal laat wakker werd, waren de schappen vaak leeg als ik eenmaal aan de beurt was. Toch sloot ik iedere ochtend opnieuw in de rij aan, al was het maar om een praatje met mijn Russische lotgenoten te maken en hun samenleving wat beter te leren kennen.

Ik moest aan dat lange wachten terugdenken toen ik Maarten Asschers essay ‘In de rij staan voor de eeuwigheid’ las, een van de vijftig fotosyntheses die hij bundelde in het heerlijke De meteoriet en het middagdutje. Asscher vertelt daarin dat hij in 1972 drieënhalf uur lang in de rij voor het British Museum in Londen stond om de tentoonstelling Treasures of Tutankhamon te kunnen zien en hij na een uur in een trance raakte. Daarover schrijft hij: ‘Het voelde als een bijna rituele overgave aan een verre, onzichtbare maar vaagweg al wel voelbare verwachting.’ Wat voor hem toen het vooruitzicht was van de schatten van de farao, was voor mij dat Moskouse brood, al raakte ik in het beste geval in een trance van de snerpende kou, die door mijn schoenen en winterjas drong.

Voor Asscher is die rij voor het British Museum aanleiding om het verschijnsel ‘wachten’ te analyseren, al was het maar omdat het zo tijdrovend is. Wachten op je rapport, op de uitslag van een sollicitatiegesprek, op de tram, op de koffiepauze, niemand ontkomt eraan. Terecht merkt hij op dat het in films en romans weinig voorkomt, zoals ‘cowboys in een Amerikaanse western kennelijk nooit naar een wc hoeven’.

De fotosynthese, een concept dat Asscher leende van essayist Rudy Kousbroek, heeft alles te maken met associatieve herinnering. Daarom ook haalt hij cultuurcriticus Siegfried Kracauer aan, die schreef: ‘Fotografie is een functie van de voorbijgaande tijd’. Dat besef weet Asscher in de door hem geanalyseerde foto’s treffend te verwoorden aan de hand van zijn levenservaringen en interesses, die behalve geestig en origineel soms heel confronterend zijn.

Mooi is ook het eerste essay uit de bundel, ‘Het heden als bedrog’. De bijbehorende foto laat een dal zien met ruïnes van een kerkje en wat huizen. Meteen denk je aan de Eerste Wereldoorlog. In werkelijkheid betreft het een Zuid-Frans dorp dat opgeslokt is door een stuwmeer. Vanwege onderhoud aan de stuwdam heeft men dat meer laten leeglopen, waardoor het dorp weer zichtbaar is. Asscher vraagt zich af wat voor een gewaarwording dat moet zijn geweest voor de voormalige inwoners. Hij stuit op een documentaire uit 2002, waarin drie mensen aan het woord komen die in het dorp geboren zijn en er hun jeugd doorbrachten. Verbijsterd lopen ze nu naar hun vroegere geboortehuis. Even zijn hun herinneringen tastbaar geworden. Maar dan gaan de sluizen weer open en verdwijnt het dal opnieuw onder water.

Vermakelijk misleidend is de foto van de 4-jarige Maarten Asscher, zijn jongere broertje en hun grootmoeder, genomen in 1961 in Londen. De drie kijken braaf naar de camera. Maar daar gaat het niet om. Want op de achtergrond ontwaar je een Ford Prefect Convertible E93A Tourer, die je het vage gevoel geeft dat die foto niet in 1961, maar in 1938 genomen is, toen die auto op de Engelse markt kwam. Het doet Asscher beseffen dat 1961 een andere wereld is, en ‘bijna een ander leven’. Precies zoals die Moskouse broodrij dat inmiddels voor mij is.