Recensie

Recensie Boeken

Als een dochter haar ouder bemoedert

Jan van Mersbergen Een goede moeder is een verhaal over onmacht, loeispannend verteld en tot nadenken stemmend. (●●●●)
Illustratie Paul van der Steen

De nieuwe roman van Jan van Mersbergen blinkt uit in wurgende, wrange pijnlijkheid. Een goede moeder vertelt het verhaal van een gebroken gezin en een bezoekregeling. Van een tienjarige dochter in een zorgrol, een vader die ordelijkheid tot levensovertuiging verheft, een moeder met psychische problemen die in apathie vervallen is, en van hulpverlenende instanties die steun beloven. Die nauwelijks komt, tot gekmakens toe.

Het moge duidelijk zijn – zoals de vader in de proloog introduceert dat we het dossier te lezen krijgen dat in anderhalf jaar tijd over het gezin opgebouwd is – ‘dat dit een verhaal van wanhoop is, daar hoeft geen letter me aan te herinneren’. Zo’n beetje iedere letter in Een goede moeder herinnert aan wanhoop, wat het zowel een zware dobber als emotioneel verslavende kost maakt. De technische beheersing maakt het tegelijk vaak loeispannend.

Zo verenigt Jan van Mersbergen (1971) in zijn elfde roman zijn grootste schrijverskwaliteiten: gevoel en beheersing. Eerder schreef hij over ingewikkeld ouderschap in De laatste ontsnapping (2014, F. Bordewijkprijs), vooral door de ingewikkeldheid van die gevoelens te tónen, in de daden van de personages. Veelzeggende, al te menselijke daden, waarvan je de indruk krijgt dat het gevoel er niet opgezocht wordt, maar aangetroffen. En vernuftige spanningsopbouw zit Van Mersbergen in de vingers, weten we van de climaxen van het gewaagde De ruiter (2016) en het eigenaardige De onverwachte rijkdom van Altena (2019), maar vooral van zijn thrillers (onder het pseudoniem Frederik Baas).

Beleefdheidsformules

Een flink deel van de nieuwe roman bestaat uit de correspondentie met hulpverleners, door vader Evert. Hij verliet de moeder van Anouska voor een nieuw gezin en nam zijn dochter mee, want moeder Anja kampt met moeilijk te diagnosticeren klachten, mentaal (depressie?) en ook fysiek, ze staat nauwelijks meer overeind. Wanneer Anouska haar sindsdien bezoekt, moet zij telkens voor haar moeder zorgen, tot onvrede van Evert. Die lees je in diens toon tegen de hulpverleners – gespannen, geladen taal, want zakelijk en afstandelijk (over zijn ex), maar ook vurig en betrokken (bij zijn dochter), koud en warm tegelijk, dus heel raak: ‘Het is voor beide partijen goed als ze elkaar zien, maar het bezoek moet losstaan van een behandeling van de moeder, en de afgelopen weken is het zien van haar dochter gebruikt als argument om haar herstel te bevorderen. Die claim bij een meisje van tien leggen is niet wenselijk.’

Scherp getroffen, net als de beleefdheidsformules van de hulpverleners die steeds sleetser worden: ‘Graag hoor ik van u.’ ‘U kunt contact met mij opnemen als u nog vragen heeft.’ Jaja – let ook maar eens op de dateringen van de mails. Zo voel je de wanhopige spanning mee, als er wéér een nieuwe instantie betrokken raakt, wéér een kennismaking wordt voorgesteld.

De menselijkheid zit dan in de marge, in een gemaild zinnetje met een verhaspeling: ‘Moeder heeft een hele poos hulpverlening buiten de boot gehouden.’ In het andere, voornaamste deel van de roman, waar de correspondentie in feite doorheen gesneden is, krijgt de menselijke kant ruim baan: het relaas van ‘de moeder’ (zo ging ik haar onwillekeurig noemen – een teken van de overheersende kracht van die correspondentie-verhaallijn). Dat relaas hoort, in Van Mersbergens constructie, overigens óók tot het dossier; het heten de spraakberichten te zijn die Anja haar behandelaar stuurt, nadat het tot een climax gekomen is. Ze vertelt ogenschijnlijk van de hak op de tak springend, geen onderscheid makend tussen citaten en haar eigen woorden, wat spannende verbanden (en verwarring) legt, én haar denkwijze tekent. Toch overtuigt die constructie niet helemaal: voor spreektaal is het her en der wat al te verfijnd en welluidend, zeker voor een vrouw die doorgaans ten prooi is aan apathie. Anders gezegd: prima om een paard als verteller in te zetten (zoals in De ruiter), maar verwacht dan niet dat je lezer gelóóft dat er een paard vertelt – die weet heus dat er, gelukkig, een schrijver aan te pas kwam. Enfin: het laat ook onverlet dat het relaas goeds te bieden heeft.

Climax

Dat goede is vintage Van Mersbergen: simpele zinnetjes, groot menselijk effect. Die tonen hoe Anja, voormalig actrice, en Evert, schrijver, in elkaar zitten, hoe het tussen hen was en is. Haar klachten: ‘Ik wilde de tv eigenlijk aanzetten, maar de afstandsbediening lag op de tv en ik kon niet meer opstaan.’ Zijn hebbelijkheden: ‘Hij maakte van alles in huis omdat hij niet de rust had als er iets niet in orde was. Dat is toch ook een ziekte?’ Zijn nieuwe relatie: ‘Op de radio vertelde hij dat het zo fijn is om een gezin te hebben en een relatie die wel gelijkwaardig is. Stabiel.’

Lees ook: Een prachtig boek over het dorp versus de stad (●●●●●)

Daar speelt méér dan er staat. Uit dat tv-zinnetje spreekt een zekere lijdzaamheid, als ze hem zijn reparatiedrift verwijt klinkt er onmacht door, (terechte?) woede als hij op de radio wél blijkt te kunnen reflecteren. Tegelijk weet je niet altijd of je haar moet vertrouwen, zoals wanneer een buurman hulp aanbiedt en meteen haar ex voor haar wantrouwige geestesoog schuift. Die hielp ook altijd: ‘Even een fiets een stukje verplaatsen, ook geen probleem. Even melding doen bij Veilig Thuis [...].’

Van Mersbergen verleidt je ertoe om Anja serieus te nemen, zonder haar alle sympathie of voordelen van de twijfel te geven. Sympathie is sowieso een heikele kwestie in deze roman – het helpt dat je als lezer een vijand gemeen hebt met de twee ouders (De Instanties), maar Evert is al evenmin erg innemend. Zeker als lezer van de Baas-thriller De druppel herken je in zijn neurotisch handhaven van rust, reinheid en regelmaat een potentieel gevaar. Die karaktertrek zet Van Mersbergen mooi in voor de slotclimax, die na een iets te lang middenstuk nieuwe vaart in het verhaal pompt en waarover ik verder niet veel meer zal zeggen dan dat die van lef getuigt en je als lezer even echt verontrust. Dit kán toch niet, denk je, niet alleen omdat het emotioneel (te) veel vraagt, maar klópt het verhaal nog wel?

Mijn sympathie

Hoe die vork in de steel zit, en wat er gebeurt in die climax, zet je vervolgens wel aan het denken over de rol van de vader. En over de ‘boodschap’ die daarmee in het boek vervat ligt – want met de ontknoping lijkt Van Mersbergen de sympathie van zijn lezers toch in een bepaalde richting te willen sturen. In schijnbare redelijkheid toonde Anja al begrip voor Evert, die de ziekte van zijn vrouw niet meer verdroeg, omdat die zo botste met zijn doenerskarakter. ‘Hij was op’: in die vaststelling kun je ook een verwijt lezen, dat zij hem leeggetrokken heeft. Maar is dat fair, had ze een keuze? Is er een schuldige?

‘Ergens is dit mijn verhaal’, schreef de vader al in de proloog. Als leesclubvraag zou ik daarom willen opwerpen: al is de moeder de verteller, is dit misschien niet toch meer zijn verhaal, ‘ergens’, of: in de kern? Pleit dat vóór de roman, of ertegen? Na Een goede moeder heb je in elk geval zin in een gesprek over waar (eigen) verantwoordelijkheid stopt en zorg begint, en andersom. En over wat je aanmoet met onmacht, hoe pijnlijk die vraag ook is.