Afghaanse vluchtelingen komen aan op het terrein van Marine Etablissement Amsterdam.

Foto Ramon van Flymen/ANP

Interview

Afghanen in Nederland: ‘Ik wil mijn oom hierheen halen, maar ik weet niet hoe’

Familieleden Afghanen in Nederland maken zich zorgen om dierbaren in Kabul. NRC sprak met twee van hen.

Milads vader is nu veilig, zijn nicht niet

De opluchting is hoorbaar door de telefoon. Even eerder is Milad (31) gebeld door zijn vader, die eindelijk veilig aan boord is van het militaire vliegtuig dat hem van Kabul naar Islamabad in Pakistan brengt. Vandaar reist hij met een gewone vlucht door naar Nederland. Milads vader verliet Afghanistan donderdagmiddag met een van de laatste Nederlandse evacuatievluchten uit Afghanistan. Een paar uur later vielen er doden bij explosies op het vliegveld.

De weg naar Hamid Karzai International Airport was moeizaam, vertelt Milad. Zijn vader (57, met zowel de Afghaanse als Nederlandse nationaliteit) was een van de 118 mensen in drie bussen die woensdag van 8 uur ’s ochtends tot 2 uur ’s nachts onderweg waren van de stad naar de luchthaven. Urenlang werden ze tegengehouden door de Taliban. „Pas nadat de ambassade met de Taliban had onderhandeld, mochten ze door. Een van de passagiers, een Nederlandse Afghaan, fungeerde als tussenpersoon. Vooraf was ons door Buitenlandse Zaken gezegd dat Nederlandse militairen de bussen zouden begeleiden, maar die waren er niet.”

Nog eerder dan verwacht kwam de evacuatie van Nederlandse staatsburgers en Afghanen die voor Nederland hebben gewerkt donderdag ten einde. Een „aanzienlijk aantal” mensen kan niet meer worden weggehaald, zei demissionair premier Rutte.

Voor familieleden van mensen die Afghanistan willen verlaten zijn het slopende dagen. Milad had het meest aan een WhatsApp-groep waar circa 70 familieleden, hulpverleners en (oud)-Kamerleden elkaar op de hoogte houden. „Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft veel fouten gemaakt in de communicatie. De groepsapp werkt veel beter. CDA-Kamerlid Derk Boswijk en oud-AIVD’er Guido Blaauw zitten er ook in. Zonder hun inspanningen was de evacuatie van mijn vader niet gelukt. Ik ben ze zeer dankbaar.”

Nu zelfs Nederlandse Afghanen achterblijven, heb ik weinig hoop dat mijn nicht het land uit komt

Milad

Milad, zijn broer en hun moeder vluchtten in 2000 voor het eerste Taliban-regime. „Mijn moeder was schooldirecteur, opgeleid in het buitenland. Een sluier droeg ze niet. Ze is mishandeld door de Taliban.” Zijn vader, die zich in 2001 bij het gezin voegde, besloot zeven jaar geleden terug te gaan. „Hij was advocaat, maar veegde in Nederland straten. Hij houdt van zijn land, hij wilde helpen bij de opbouw.” In Afghanistan werd hij hoofdaanklager bij het OM. Twee keer per jaar kwam hij naar Nederland. Toen de Taliban oprukten, vervroegde hij zijn reis naar 17 augustus, maar die vlucht ging niet meer door.

Ondanks de evacuatie van zijn vader zijn Milads zorgen niet voorbij. Zijn nicht, een alleenstaande vrouw van 29, houdt zich schuil bij vrienden in Kabul. Ze werkte als lerares op een school voor kinderen van overheidsmedewerkers, en loopt om diverse redenen gevaar. Daarom houdt Milad zijn achternaam uit de publiciteit. Meereizen met Milads vader kon niet, omdat ze geen banden met Nederland heeft. Milad: „Nu zelfs Nederlandse Afghanen achterblijven, heb ik weinig hoop dat zij het land uit komt.”

Bezorgd om oom die op de vlucht is voor de Taliban

Dagenlang probeerde Mohamed Sharif (37) vanuit Nederland contact te leggen met zijn oom in Kabul, terwijl de berichten over het optreden van de Taliban hem steeds meer zorgen baarden. Toen zijn oom hem vorige week eindelijk belde, kon Sharif nauwelijks opgelucht zijn. „Hij was net weer verkast, op de vlucht voor de Taliban. De Taliban vragen overal rond of iemand voor buitenlandse organisaties heeft gewerkt en zoeken mensen thuis op.”

De jongere broer van Sharifs moeder heeft jarenlang voor een Franse hulporganisatie gewerkt die in 1993 in Kabul werd opgericht. De eerste actie was toen het uitdelen van kolen en bloem aan bakkers tegen het Afghaanse broodtekort; inmiddels werkt de organisatie in 37 landen. „Mijn oom deed ondersteunend werk, zoals medicijnen en andere spullen bezorgen, in alle grote en kleine steden van Afghanistan”, vertelt Sharif.

Mohamed Sharif. Foto Bram Petraeus

Toen Kabul in handen viel van de Taliban, vertrokken de Franse hulpverleners. Sharifs oom bleef achter met zijn gezin: twee echtgenotes en drie kinderen in de leeftijd van 1 tot 6 jaar. Sharif: „Toen heeft mijn oom met zijn gezin zijn woning verlaten en is bij familie gaan logeren.” Omdat lang blijven te gevaarlijk is, moet zijn oom steeds weer verhuizen: „Dan weer bij vrienden, dan weer bij andere familie en soms betaalt hij een kennis voor een overnachting.”

Sharif, die met zijn gezin in Almere woont, voelt zich machteloos. „Ik wil mijn oom hierheen halen, maar ik weet niet hoe.” Hij heeft een e-mail gestuurd naar de Franse en Nederlandse ministeries van Buitenlandse Zaken, maar kreeg geen reactie. „Ik weet niet meer wat ik moet doen. Ik kijk steeds op internet, ik vraag het mensen, maar ik vind geen oplossing.”

Dinsdag belde zijn oom weer, heel kort, en vroeg om geld: „Maar ik kan nu niets sturen, want de meeste banken in Afghanistan zijn gesloten. ‘Leen van kennissen daar’ heb ik gezegd, ‘dan stuur ik later wel geld als dat weer kan’.” Het bellen is ook een probleem, omdat de telefoonnetwerken nauwelijks functioneren en Afghanen niet makkelijk hun beltegoed kunnen opladen. „Met andere familie daar heb ik daardoor helemaal geen contact”.

Lees ook: Turkije en EU vrezen nieuwe vluchtelingencrisis, is dat reëel?

Twee weken geleden kregen Sharif en zijn vrouw hun derde kind, een dochter. „We zouden allemaal blij moeten zijn en dat zijn we ook. Maar we horen steeds het slechte nieuws uit Afghanistan en hebben geen zin om feest te vieren.”

In dit artikel wordt Guido Blaauw in een citaat aangeduid als “oud-AIVD’er”. Dat is hij naar eigen zeggen. De AIVD laat zich over dit soort zaken niet uit.