Het is hier geen hotel

‘Ze keek naar me als naar een aangereden hond.’

Deel 8: Ciao!

Illustratie Sharon Coone

Haar volgende zet was in al haar eenvoud meesterlijk: ze liet me links liggen. Het begon ermee dat haar bezoekjes aan mijn ziekbed steeds korter en gehaaster werden. Ze had afspraken, zei ze, afspraken op het vasteland. Mensen van vroeger, mensen van nu. Haar goede vriend de glasblazer, haar dierbare dermatoloog, haar oude manke minnaar uit Triëst. Ze zou iedereen aan me voorstellen als ik weer de oude was, ik moest maar snel beter worden, eet op z’n minst je koekje op, drink wat van je thee.

Voorheen had ze haar hand menigmaal lang en liefdevol op mijn klamme voorhoofd laten rusten. Met die sierlijke sigarettenvingers van haar had ze mijn haren uit mijn gezicht gestreken, haar ogen dicht bij de mijne gebracht, dingen gezegd over mijn lijden dat ook háár lijden was. Maar dat gezamenlijk lijden was verleden tijd. Niet alleen hield ze op me aan te raken, ze keek naar me met de blik van iemand die kijkt naar een aangereden hond die al dagen langs de kant van de weg ligt te rotten in de zon; een blik waarin medelijden en afkeer streden om voorrang. Al gauw sprak ze niet meer over beter worden, ze sprak helemaal nergens meer over, ze bleef in de deuropening staan, riep alleen nog, „ciao!”, blies een luchtkusje de ruimte in en was gevlogen.

Ik voelde me in de steek gelaten als een twaalfjarig meisje op het schoolplein, maar probeerde het te beschouwen als iets positiefs. Haar desinteresse zou me beter maken, ik zou aansterken, mijn dochter op mijn arm nemen, weglopen uit dit nachtmerrieachtige vijfsterren-onderkomen.

Twee keer per dag kwam iemand de kamer schoonmaken en het beddengoed verversen. Bij die gelegenheden werd ik door de lange jongen — elke dag leek hij een paar centimeter te groeien — uit bed getild en in de rolstoel gezet. Iedereen leek zich volstrekt niet druk te maken om mijn toestand. Blijkbaar was het voor de schoonmakers heel normaal om hotelgasten bibberend en zwetend aan te treffen in hun bed. De service van dit hotel was zo verdomde discreet dat men zonder een spier te vertrekken een lijk uit de weg zou ruimen.

Toen ze helemaal niet meer kwam en ik niet meer wist hoe lang ik mijn dochter niet meer had gezien of gehoord, toen het paard met de negen hoofden tijdens haar nachtelijke bezoekjes zo hard begon te hinniken dat ik mijn eigen gedachten niet meer kon horen, toen ik, kortom een dieptepunt had bereikt binnen het alomvattende dieptepunt, trok ik de lange jongen aan zijn mouw.

„Ik word vergiftigd”, fluisterde ik, „I’m being poisoned.” Hij knikte, verder niets, hij hield de rolstoel vast en knikte. Plotseling had ik schoon genoeg van hem, van zijn aan minachting grenzende onverschilligheid. De arrogantie! Dit was geen service, dit was sabotage.

„Ik wil de manager spreken,” zei ik, zo luid als ik kon, „ik wil nu de manager spreken.” Voor het eerst keek de lange jongen me aan. „What do you think this is, miss, a hotel?”

Volgende week: Het Venetiaanse masker.