Luchttekenaar Alexander Calder: de man die wind tot kunst verhief

Alexander Calder Hedendaagse kunstenaars tonen in de Kunsthal werk dat is geïnspireerd op Alexander Calder, de Amerikaan die door beweging als basis voor zijn kunst te zien als een van de grote vernieuwers van de 20ste eeuw wordt beschouwd. Zijn geestig-poëtische creaties zijn een baken van lichtheid en kunnen we vandaag de dag goed gebruiken.

Circa 1955: Alexander Calder
Circa 1955: Alexander Calder Foto Evans/Three Lions/Getty Images

Wanneer de Amerikaanse kunstenaar Alexander Calder op kerstavond 1929 met zijn zelfgebouwde miniatuurcircus op bezoek gaat bij Aline Bernstein, is hij verrast. Anders dan gedacht zitten er maar een paar vrienden in haar kamer te wachten op zijn voorstelling, terwijl hij van vijftig toeschouwers was uitgegaan. Hij laat het toch doorgaan: zijn zelfgemaakte dieren van ijzerdraad, kurk, hout en lapjes stof lopen door een piste, doen kunstjes terwijl Calder het geheel voorziet van achtergrondgeluiden.

Deze optredens waren een succes wanneer hij zijn dieren en acrobaten liet optreden in zijn atelier in het Parijse Montparnasse, waar hij lange tijd woonde. De Parijse elite vond het geweldig en een recensent van circusacts was razend enthousiast geweest over hoe overtuigend de bewegingen waren geïmiteerd. Het Cirque Calder ging de wereld over en kreeg in Barcelona de naam die het treffendst is: het circus van de poeta i humorista. Want als er iets opvalt, dan is het wel de humor die uit de bewegende beeldjes spreekt. Of het nou een mokkende olifant is, een poepende leeuw of een clown die een ballon te groot opblaast: Calders circus is prachtig én geestig.

Die avond bij Aline Bernstein heeft er echter één iemand een andere beleving: de schrijver Thomas Wolfe. In zijn postuum gepubliceerde roman You Can’t Go Home Again (1940) vertelt hij wat er te zien is en hoe het personage Piggy Logan (die model voor Calder staat) het geheel aanpakt. De toeschouwers waren van het soort dat „verveeld was met het leven en verveeld was door de dood, maar ze waren niet verveeld bij Mr. Piggy Logan en zijn circus van ijzerdraadpoppetjes”.

Clown

Ze applaudisseren wanneer ze het niet meer snappen om het ongemak weg te lachen, en blijven geduldig wanneer alles misgaat. Want dat is bij Wolfe het geval: het duurt te lang en de te dikke vingers van Logan (ook in werkelijkheid had Calder forse handen) laten van alles in de soep lopen. Trapezefiguurtjes donderen naar beneden, poppen vallen uit elkaar en terwijl de toeschouwers last krijgen van plaatsvervangende schaamte over de vertoning en de vallende artiesten, giechelt Logan wat voor zich uit terwijl hij volledig opgaat in zijn spel. Dat Calder rekening hield met gevallen trapezewerkers en daarom poppetjes met brancards de piste in liet lopen, vermeldt Wolfe niet.

Het is een geestig maar vilein stukje van Wolfe. Wat vooral opvalt is dat Logan wordt neergezet als een clownsfiguur met de lach van een idioot. Alsof een clownsfiguur slecht voor de kunsten zou zijn, en iemand die om zijn eigen werk kon lachen per definitie banaal was. Calder (1898-1976) wilde juist een soort van clown zijn met zijn circus, of beter gezegd: een enthousiast kind dat anderen meeneemt in zijn spel. In de bewaard gebleven filmpjes waar Calder als een soort Charlie Chaplin met twee koffers vol circusattributen in de hand aan komt zetten, hoor je hem na de opbouw van de piste de acts aankondigen en dierengeluiden maken.

Waar in de jaren twintig en dertig zware theorieën en ernst aan de orde van de dag waren, en kunst doorgaans statisch was, bracht Calder humor en beweging. Het zal de humor zijn die Wolfe ergerde, want humor in kunst is meestal tijdgebonden, en zodra iets al te tijdgebonden wordt, wordt het niet langer beschouwd als kunst.

Het is echter juist de humor (en de schoonheid van de kurken en stoffen beesten) waardoor Calders circus een eeuw later nog steeds geweldig is. Zijn lichtheid in het circus, zijn mobiles en stalen 3D-portretten maken zijn werk aantrekkelijk en vernieuwend, én hebben hem de reputatie opgeleverd van een van de meest vernieuwende beeldhouwers van de twintigste eeuw.

Luchttekeningen

Alexander Calder: Untitled, 1963.

Foto Sandra Pointet courtesy of Calder Foundation, New York / Art Resource, New York

Spelen zat er al vroeg in. Calder, die in 1898 was geboren vlakbij Philadelphia, had ouders die kunstenaars waren, waardoor hij zelf al vroeg creatief aan de gang kon. Met de restmaterialen die hij vond – touwtjes, kurken en lapjes stof – bouwde hij speelgoed voor zijn zusje en hemzelf. Het maakte de handige man in hem wakker en prompt begon hij aan een studie om technisch ingenieur te worden. Dat was ’m toch niet, en hoewel de kunsten geen vetpot waren, koos hij voor de artistieke richting. Tekenen ging hem beter af dan schilderen en hij begon zijn carrière dan ook met het vastleggen van dieren in beweging, later gevolgd door Josephine Baker in ijzerdraad aan een touwtje. Een portret dat letterlijk kon swingen, als je aan het touwtje trok.

Toen hij naar Parijs vertrok om zijn mogelijkheden te onderzoeken, was niet iedereen meteen enthousiast. Een recensent vroeg zich af of Calder soms zijn toeschouwers wilde bespotten en op zijn vroege tentoonstellingen werd weinig verkocht. Ook in Berlijn zal hij enkele jaren later aanvankelijk geen van zijn ‘luchttekeningen’ verkopen.

Want dat was eigenlijk wat Calder deed: hij maakte portretten en beesten die bewogen door de wind of luchtcirculatie. Die beweging was onderdeel van het kunstwerk en de wind werd kunst op zichzelf. Zijn fascinatie voor die beweging was ook wat hij zich herinnerde van zijn ontmoeting met Mondriaan.

Lees ook: Niets zo vrolijk als tuin vol Calders

Snelle schilderijen

Calder was in 1930 bij Mondriaan op bezoek in diens atelier. „Waarom laat je je schilderijen niet bewegen?” had hij gevraagd toen hij zag dat de doeken gerangschikt aan de muur hingen. „Mijn schilderijen zijn al erg snel”, zou Mondriaan geantwoord hebben. Mondriaan zag meer in ritme dan in beweging, en ritme zat er genoeg in zijn werk.

De ontmoeting is bepalend voor het werk dat daarna kwam en waarmee Calder de man werd die kunst liet bewegen, en waar kunstenaars als Jean Tinguely en William Kentridge later hun voordeel mee deden.

Calder begon na de ontmoeting weer te schilderen en bootste Mondriaan na. Dat werkte natuurlijk niet, en het was maar goed dat rond die tijd ook de planeet Pluto werd ontdekt (de bol werd toen nog een planeet genoemd). Calder toog naar een planetarium in Parijs en bestudeerde de bewegende planeten. Wat hij daar zag, zou hij later op verschillende manieren toepassen in zijn mobiles. Het werk aan figuratieve werken is voorbij en het universum dient als zijn abstracte model, de wereld als ‘bewegende Mondriaans’.

Vanaf dat moment is iedereen enthousiast, al heeft Mondriaan een kanttekening bij de grote mobiles. Er kan meer snelheid in, stelt hij. Maar Calder ziet daar niets in. Hij zou Mondriaan hebben geantwoord: „Beweging heeft zijn eigen schoonheid.” Het maakt hem niet uit of je alles laat aansturen door de wind of door een mechaniekje. De bewegingen zijn goed voor decors, fonteinen en waterballetten. Soms gaat het mis, wanneer bijvoorbeeld de bewegende beelden de dansers in de weg zitten. Een choreograaf legt hem uit dat het decor minder mooi wordt wanneer er ook nog eens dansers komen, waarna het decor het dan toch aflegt.

Alexander Calder: Blue Feather, ca. 1948.

Foto Stephen White courtesy of Calder Foundation, New York / Art Resource, New York.

Verbogen propeller

Het was een kleine stap van de mobiles naar de stabiles: grote beelden die een beweging maken omdat de toeschouwer eromheen loopt en dus steeds een ander perspectief heeft. De lichtheid is er dan wel uit, maar de humor blijft, voor wie bijvoorbeeld voor zijn grote, rode Flamingo staat of voor de Verbogen propeller, een beeld dat een andere lading krijgt wanneer het vernietigd wordt bij de aanslagen van 11 september 2001.

Het is de vraag welke kant de kunstenaars die straks naast het werk van Calder in de tentoonstelling Calder Now staan, zullen benadrukken. De Kunsthal toont werk van kunstenaars dat speciaal gemaakt is voor de tentoonstelling of dat gelieerd is aan Calders werk: Olafur Eliasson, Zilvinas Kempinas, Simone Leigh, Ernesto Neto, Carsten Nicolai, Roman Signer, Aki Sasamoto, Monika Sosnowska, Sarah Sze en Rirkrit Tiravanija. Is de link tussen deze kunstenaars en Calder beweging, vernieuwing of ook zijn humor?

De tijdgeest lijkt niet ingesteld op humor en lichtheid, maar wat zou het mooi zijn als een van de kunstenaars het circus weer nieuw leven inblaast. Calder zelf deed dat na 1961 niet meer: zijn knieën konden het niet meer aan om in een kruiphouding de beesten hun kunstjes te laten doen. De beestjes staan nu bewegingloos in vitrines, maar als er iets is dat we nu goed kunnen gebruiken, dan zijn het wel mokkende olifanten, poepende leeuwen en vallende trapezeartiesten.

Calder Now is van 21/11 t/m 29/5/22 te zien in de Kunsthal Rotterdam.