Schuldig landschap

Aflevering 7: Het verscholen dorp

Kán dat? Het echte bosgevoel ondergaan in Nederland? Dat is de vraag die Herman Vuijsje deze zomer onderzoekt.

Het is een lange kaarsrechte weg die voert naar Het Verscholen Dorp. Nu. Toen niet. Het dorp, een negental schuilhutten, deels ondergronds, lag in een groot, diep en dicht dennenbos. Pas-Op-Kamp werd het genoemd, niet naar de gevaren die de onderduikers bedreigden, maar naar de nabije handelsroute die in vroeger tijd door struikrovers onveilig werd gemaakt.

Er waren zo veel onderduikers in het streng gereformeerde Nunspeet dat een extra onderkomen nodig was in de Soerelse bossen. Werk van Tante Cor, Opa Bakker, de dorpsdokter, de boswachter – half Nunspeet en Vierhouten wist er van, maar iedereen hield zijn mond. Voedselgebrek was er nooit omdat mensen uit de omgeving genoeg kwamen brengen.

Van april 1943 tot oktober ’44 vonden een kleine honderd mensen – Joden, vluchtelingen uit Kamp Amersfoort, gestrande geallieerde piloten, een ontsnapte Russische krijgsgevangene, een Duitse deserteur en onderduikers voor de Arbeitseinsatz – hier een veilig heenkomen. Het blijft een raadsel hoe ze anderhalf jaar lang onopgemerkt wisten te blijven. Partizanen in Wit-Russische wouden, zoals het ‘Jeruzalem van het woud’, waar meer dan duizend Joden onder leiding van de broers Bielski de oorlog wisten te overleven, oké... maar bij ons op de Veluwe!

Bos is eng én beschermend, dat weet ieder kind. Er zitten rovers, heksen, wolven, betoverde bomen en andere griezels. Gewone mensen wonen nooit in het bos, maar altijd aan de rand ervan. Ze sturen hun kinderen erheen of laten ze er achter. Verloren als babe in the woods ben je nog niet gelukkig en ook wanneer weerloze kinderen als Roodkapje en Hans en Grietje zich in het bos wagen, kan het lelijk misgaan. Maar juist te midden van die ontoegankelijke uitgestrektheid is ook de innigste knusheid te vinden. Stijg van je paard, uit de koets of uit de Oude Schicht en betreed de herberg in het Donkere Bomen Bos. Een herberg waar een joviale waard je welkom heet, liefst zo’n Bommeler waard met buik en slagtanden, een waard die het woord waard waard is.

Nog beter: een holle boom om in weg te kruipen, zoals Knabbel en Babbel in hun boomholletje, met een voorraad eikels waarmee Jan Splinter de winter wel doorkomt. Of Paulus de Boskabouter, ik herinner me vooral de herfststormen die rond zijn holle boom gierden. Ook Midas Dekkers kan zich verkneukelen op een regenachtige namiddag in een herfstachtig beukenbos. „Door het schemeren kun je niet al te ver kijken, en ook de regen beperkt het zicht aanzienlijk”, schrijft hij. „Dat geeft een gevoel van geborgenheid, het idee dat je bent ingesloten.”

Het is verwarrend dat soort gevoelens ook te ervaren bij de aanblik van Het Verscholen Dorp, dat deels is gereconstrueerd. De mensen waren er letterlijk ingesloten maar er werd ook gelezen, geknutseld en spelletjes gespeeld. Met z’n allen in zo’n boshol, als ik er rondkijk kan ik me voorstellen dat het ondanks alles ook een soort gezelligheid met zich meebracht. Bos is zowel heimisch als unheimisch... nergens realiseer je je dat met meer kracht dan hier in Het Verscholen Dorp.

Op 29 oktober 1944 zagen twee Landstormmannen iemand een brandgang oversteken en sloegen alarm. 16 van de 86 konden niet ontkomen, onder wie acht Joodse onderduikers, die meteen daarna werden vermoord. Als laatste de zesjarige Johnny Meijer. Zo werden de Soerelse bossen een schuldig landschap.